Kijken, zien, waarnemen

In de retraite waaraan ik onlangs deelnam werd ik getroffen door de eenvoudige schoonheid van de ikebana – een bloemstuk volgens de inzichten van de japanse bloemschikkunst. Daarin gaat het vooral om de compositie, in feite maakt het niet zoveel uit welke bloemen je gebruikt. Al zijn er bloemen die in hun eentje al een spectaculair effect geven. Of een tak. Zoals in dit stuk. Een enkele bramentak, met de laatste bramen eraan, half gerijpt, en nog wat blaadjes. Al helemaal verhout. In een bakje met het uiterlijk van een berkenboomstammetje. Ik kreeg er geen genoeg van ernaar te kijken, het was een levend kunstwerk in al zijn verstilling.

Aan het einde van de retraite maakte ik er een foto van. ‘Vereeuwigde’ ik het – in fraaie tegenspraak met wat het stuk zelf uitdroeg: de vergankelijkheid waar zen altijd weer op wijst. Toen ik hem thuis op de computer bekeek, vroeg ik me in eerste instantie af: wat zie ik nu? Hij leek onscherp. Maar nee, ik zag ‘het cadeau van de camera’: de schaduw die de tak op de muur wierp. Had ik die bij het nemen van de foto over het hoofd gezien? Of heeft het licht van de flitser de schaduw geworpen? Wie zal het zeggen. In elk geval heeft de camera de ikebana een extra dimensie gegeven die ik eerder niet had waargenomen.

Ik moest gelijk weer denken aan het boekje “De kleine stern” dat ik meer dan vijftien jaar geleden van mijn goede vriendin kreeg. Een prachtig verhaaltje over een kleine stern die op een dag ineens niet meer kan vliegen. Hij spendeert bijna een jaar op het strand – iets wat voor hem volstrekt ongewoon is – en raakt zijn vliegende vrienden kwijt. Gaandeweg maakt hij nieuwe vrienden, waaronder een spookkrab. Dat blijkt een wijs wezen, dat hem leert dat iets alleen ongewoon is als je het ongewoon vindt. En dat de kleine stern misschien alleen maar ziet wat hij al weet, en moet leren kennen wat hij nog niet weet. Dat hij dan misschien zijn vermogen te vliegen ook weer kan hervinden.

Op een ochtend toen de zon opgekomen was zag de kleine stern ineens zijn schaduw naast hem staan. Die had hij nog nooit eerder opgemerkt. ‘Vreemd, dat iets er de hele tijd kan zijn zonder dat het je opvalt’, denkt de vogel. En hij mijmert zo’n beetje voort: over de kostbaarheid van iets zien wat moeilijk te vinden is, dat een vogel die vliegt geen schaduw heeft en moet landen om hem te kunnen zien. Dat een schaduw je herinnert aan wat er is, zelfs als het er niet is. De stern leert hiervan dat hij de pracht en kracht van zijn veren en vleugels moet leren kennen en waarderen om te kunnen vliegen. En vervolgens wiekt hij heel natuurlijk weg.

Het is nu zo’n ochtend waarop je je schaduw niet kunt zien. Want behalve een oppervlak waarop hij kan vallen, is er ook licht nodig om hem te doen verschijnen. De zon, die de kleine stern zijn schaduw liet zien, zit vanochtend achter een dikke laag mist. De rijp ligt nog op het veld. De bomen steken donker tegen de lucht af, de laatste blaadjes nog aan de takken, maar ook zij werpen geen schaduw op het veld. Het niet zien van de schaduw nu herinnert me aan de momenten dat hij er wel is. Dat de bomen en ik niet komen en gaan met het verschijnen en verdwijnen van onze schaduw.

Dat is toch gewoon? Net als vliegen voor de kleine stern – totdat hij het ineens niet meer kon… Pas toen kon hij gaan zien hoe bijzonder het gewone eigenlijk was. Ook ik word me daar pas van bewust als ik erbij stil sta. En het licht van mijn geest erop kan schijnen. Zoals de camera de schaduw van de tak uitlicht, en hem daarmee een extra dimensie geeft.

Mij is wel gezegd dat ik ‘niet zo moeilijk’, of ‘ingewikkeld’ moest doen. Dat ik wel erg beschouwend was. In het actieve leven van alledag is dat kennelijk niet wenselijk of gewaardeerd. Ik heb het me vaak aangetrokken ook nog. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. En mijn ervaring wijst telkens weer uit dat het leven zo veel mooier en waardevoller is als ik bewust kijk naar het gewone. Omdat ik dan waarneem hoe bijzonder het is.

Perfect

Afgelopen week was ik in Drenthe, op retraite in het zenklooster. Het was een retraite-vorm met ruime afwisseling tussen het stille zitten en zen-in-actie: werken, studeren, lopen, tekenen, schrijven – vul maar in. Dat geeft de gelegenheid om te oefenen met het bewaren van een meditatieve mind-set ook als je actief bezig bent. Een mooie oefening voor het gewone dagelijkse leven dus, want het blijkt toch vaak moeilijk te zijn om niet al heel snel die meditatieve geest te verliezen en weer in de waan van de dag meegesleept te worden. En te vergeten dat je er telkens weer naar toe terug kunt. Want voor mij is dát het meer dan dat ik continu in die meditatieve staat verkeer.

Ik had werk in de tuin, iets wat ik heel graag doe. De weersomstandigheden waren niet aldoor geweldig, maar tussen de miezerbuien door kon het ineens mooi weer worden. Fris was het ook, en het waaide meestal stevig. Bij het bollen planten dat me was toegewezen zat ik vol in de wind, en kon ik weer even goed voelen hoe ik daar als ‘meisje uit het Noord-Hollandse kustgebied’ ook van kan genieten. Het kan me een gevoel van kracht geven om in die wind te verkeren. Zolang ik er maar niet in hoef te fietsen…

Omdat ik wat extra in de tuin wilde werken vroeg ik de ‘chef tuin’ om aanvullende taken. Ik suggereerde zelf het wieden van de tuinpaden, want daar is altijd werk aan. Maar nee, hij had iets anders in petto: bladeren vegen. Het is een waardevolle zen-oefening om niet te zeer verstrikt te raken in je voor- en afkeuren of je opinies, en bij deze chef tuin had ik al ontdekt dat hij, als dat wel gebeurde, zeer raak kon reageren. Ik ervoer dus de totale zinloosheid van een reactie als ‘wat is de zin van bladeren vegen in de harde wind?’ Al denk ik dat in mijn ogen wel iets van de lach die door me heen schoot te zien moet zijn geweest. Ik moest denken aan de keren dat ik zelf tijdens weekend-retraites mensen in het pikdonker onkruid had laten wieden. En aan mijn blogpost van een paar weken geleden over bladeren vegen. Die dag was het redelijk windstil geweest, maar op de dag dat de post verscheen waaide het hard, zeker aan de kust. Daar woont mij zus, en toen zij het verhaaltje las had ze dikke pret, want ze zag me al in windkracht 8 vegen aan bladeren die als een tornado om me heen zwierden.

Welnu, de wind was geen kracht 8, maar stevig genoeg om alles wat ik bij elkaar zou vegen deels weer weg te blazen. Aan de luwe zijde van het gebouw die hij me had aangewezen viel het enigszins mee en ik vond een manier om toch redelijk wat blad op te vegen zonder dat het meteen weer de hele tuin door joeg. Het werd een spel tussen mij en de wind waar ik veel lol aan beleefde. Evenals aan de gedachte wat de anderen zouden denken als ze me zo bezig zagen. En of de tuin-chef zelf ook zo’n pret zou hebben om deze opdracht, en het feit dat ik er braaf mee aan de gang ging.

Het was in de dagelijkse inleiding van de zen-meester – een inhoudelijk verhaal ter inspiratie voor je beoefening – onder andere gegaan over perfectionisme. Hoeveel mensen er bezig lijken te zijn met het vooral toch maar goed te doen. Niet alleen maar goed, nee: perfect. Dat dat wel steeds erger lijkt te worden. Ik herken het zeer, en vraag me wel eens af of de zen-beoefening juist de perfectionisten aantrekt. Ik herken het ook in mezelf; en dan gaat het er echt niet alleen over of ik het goed of fout doe in de ogen van een ander, maar juist ook in mijn eigen ogen. Al word ik met de jaren en dankzij mijn zen-beoefening wel milder. Minder ‘rechtspleging’ zoals de zenmeester het noemde: minder veroordeling, wat allemaal goed of fout is en beloond of bestraft moet worden. Maar de kiem zit er nog wel, en het is makkelijk om hem weer te voeden als ik niet oppas.

Al harkend op de keitjes-rand langs de meditatieruimte was het niet alleen de wind die mijn bladveeg-zen-in-actie probeerde te saboteren: de keitjes deden ook een duit in het zakje omdat het moeilijk bleek kleinere blaadjes uit de ruimtes ertussen weg te krijgen. De woorden van de zenmeester speelden door mijn hoofd. Wat een perfecte oefening had de tuin-chef me op deze dag gegeven. De ultieme oefening in niet-perfectionisme. Doen wat je doen kunt. Wanneer is het goed?

In de war

Op Facebook komt een foto voorbij van bloeiende sneeuwklokjes temidden van de herfstkleuren. Gemaakt door een bekende, dus geen fake news naar ik mag aannemen. Iemand anders meldt dat bij hen in de tuin een juffertje-in-het-groen staat te bloeien; dat doet ze gewoonlijk in de zomer. Bij ons heeft recent de rode roos in de zijtuin weer nieuwe knoppen gemaakt, terwijl ze normaal gesproken maar één keer bloeit. En in mijn voortuin bloeit de diascia vrolijk roze naast de goudgele geranium. Niet de mooiste kleurcombinatie, maar ja, ze horen ook niet gelijktijdig te bloeien….

Het is genieten van nog zoveel bloemen in de tuin, maar het is ook duidelijk: de natuur is in de war. Net als wij. Je zou haast zeggen dat ze ook last heeft van alle corona-perikelen, en daar maar eens lekker tegen protesteert. Zo’n vorm van protest kan ik wel waarderen. Maar ja, dat is een onzinnig fantasietje van de soort waar mijn moeder zo goed in was; en waar we altijd veel plezier om hadden omdat we wisten dat het een fantasietje was en het leuk was om op die manier de wereld even op zijn kop te zetten. Of misschien wel meer: een verklaring te geven die even onzinnig was als de manier waarop de wereld om ons heen op zijn kop stond. Want dat is natuurlijk geen nieuw verschijnsel, dat is al zo oud als de wereld zelf.

Er zijn uiteraard hele logische verklaringen te geven voor die ‘in-de-war-natuur’, maar die zijn lang niet zo grappig als zo’n fantasietje. Die zijn heel serieus. Maar het zijn ook gedachten, net als dat fantasietje. Je zou ook nog kunnen zeggen: misschien is die natuur wel niet zo in de war als wij denken. Want wij meten het af aan de kalender en die zegt: november. Conclusie: het is herfst en dan bloeien er geen sneeuwklokjes en diascia. Rozen misschien nog wel een enkele, maar dan toch alleen die doorbloeiende soorten. Moeder natuur houdt zich dus niet aan onze kalender en is daarom in de war.

Maar moeder natuur reageert gewoon, conform haar natuur, op de omstandigheden. En die zijn al een tijdje: veel zon en niet koud. Nou, dan bloeien wij. Het stopt vanzelf wel een keer als die omstandigheden veranderen. Intussen valt er dus veel te genieten voor ons, als we er niet teveel aan ideeën, verwachtingen en normen overheen leggen. Gewoon alleen maar kijken naar die verschijnselen.

“Ik verbaas mijzelf voortdurend; dat is het enige wat het leven de moeite waard maakt” staat er op een kaartje dat ik dit weekend in handen kreeg. Het is een citaat van Oscar Wilde. Een citaat dat hem typeert, de kritische observator van zijn tijd. In verbazing leg je wat je ziet of hoort, bewust of onbewust, tegen de maatlat van je eigen ideeën. Het is minder open dan verwondering, dat je meer in de vragende houding zet: wat zie ik, hoor ik nu eigenlijk? Dat maakt het leven inderdaad de moeite waard. Omdat het alles open houdt: genieten van bloeiende rozen in november, of de dwarse kijk op het leven van een, al dan niet grappig, gedachtenexperiment, oftewel een fantasietje.

Verwondering

Met een boek nestelen op de bank – wanneer heb ik dat in mijn leven niet gedaan? Al zolang als ik zelf kan lezen doe ik dat. En daarvóór zat ik naast mijn moeder op de bank genesteld, luisterend naar het verhaal dat zij voorlas. Boeken zijn net zo’n vast ingrediënt in mijn leven als eten en drinken.

Nu lees ik een boek van een filosoof die schrijft over hersenonderzoek. Ik vind het een leuk boek, vooral omdat het me regelmatig doet afvragen: hoe werkt dat bij mij, in mijn leven, in de wereld zoals ik hem beleef?

Zo beschrijft ze bijvoorbeeld haar vroegste herinnering aan een gevoel van verwondering, haast bevreemding, over haarzelf, haar lichaam – zittend onder een struik bij de zandbak, voor het eerst gewaar: ‘dit ben ik, hier zit ik, dit is mijn lichaam’. Het was de eerste keer dat ze zichzelf bewust ervoer en tegelijkertijd als van buitenaf beschouwde, het besef van ‘ik’ in de wereld. Dat is haar haar hele leven bijgebleven; niet alleen de herinnering, maar ook de ervaring zelf komt regelmatig terug.

Ze beschrijft ook hersenwetenschappers die in het laboratorium met scanners onderzoeken welke verbanden er bestaan tussen activiteit in de hersenen en bijvoorbeeld ons zien en horen; maar ook ons gelukkig of verdrietig voelen. Ze gaat in op de vraag wat ons mensen onderscheidt van andere verschijningsvormen op aarde, en op het fenomeen dat wij onszelf als mensen zo bijzonder vinden in vergelijking met die andere verschijningsvormen.

Ik herken het gevoel van verwondering. De mijne draaide vooral om de werking van de menselijke geest. Waarom doen mensen wat ze doen, wat drijft ze? Waarom doen ze zo vaak niet wat ze zeggen te zullen of willen doen, wat weerhoudt ze? Als kind begreep ik er vaak niet zo veel van. En dook ik op de bank met een boek, om maar eens een tijdje verstoken te zijn van al dat onbegrijpelijke gedoe en me te verliezen in een wereld waarin alles mogelijk was. Misschien als gevolg van al dat menselijke gedoe dat ik maar vreemd vond, heb ik ons mensen ook nooit zo speciaal gevonden. De rest van de natuur is minstens zo bijzonder: het wonderlijke van een crocusje dat met een groen puntje uit de grond tevoorschijn komt, en stopt met groeien als het ineens weer vriest. Het wonder van mijn kat die miauwend de poort uitkomt op het moment dat ik met de auto de parkeerplaats opdraai. Met haar rug naar me toe gaat zitten als ik na een week vakantie weer thuis kom. De grootsheid van de nachtelijke sterrenhemel die me vertelt dat ons universum zo onmetelijk is dat ik het me niet kan voorstellen. De fascinatie in Nepal, waar ik mij tussen de duizenden meters hoge bergen volstrekt nietig voelde – een ervaring die tegelijkertijd geheel natuurlijk voelde: dit is mijn plek op aarde. Niet meer en niet minder. “You are a child of the universe, no less than the trees and the stars; you have a right to be here”, zoals de eeuwenoude tekst ‘Desiderata’ het verwoordt.

De fascinatie met de werking van de geest vergezelt me al mijn hele leven; en heeft me aangezet tot veel leren en lezen; is de motor achter mijn persoonlijke ontwikkeling en veel van mijn werk. Dat ik uiteindelijk het zenleraarschap ben gaan beoefenen is in dit licht niet vreemd: als het ergens gaat om de werking van de geest is het wel in zen. Loskomen uit mijn eigen gedoe helpt me dat van anderen beter te begrijpen. Maar ook heeft het me doen inzien dat de vraag ‘waarom’ me vaak niet verder helpt. ’t Leidt tot interessante, immer complexer wordende verklaringen, inclusief hoogspecialistisch (hersen)onderzoek. Maar geen van de verklaringen blijkt ooit afdoende. En geen van de verklaringen neemt uiteindelijk dat gevoel van verwondering weg, over ons menselijk gedoe, over de werking van de natuur. Gelukkig niet. Gedoe is er, dat is deel van ons menszijn. Elk voorjaar groeien er weer blaadjes uit de takken van de bomen; elk najaar dwarrelen er weer blaadjes van de boomtakken naar de grond.

Ik vind het leuk om te lezen en na te denken over dit soort dingen, mijn brein houdt van die complexiteit. Maar niets geeft me zóveel voldoening als de eenvoudige ervaring van de verwondering. Aahhh, wat dwarrelt dat blaadje mooi naar beneden!

Bladeren vegen

Er ligt een grote hoop bladeren voor me klaar. Door mijn huisgenoot bij elkaar geblazen. Ik ga er bladcompost van maken, voor het tuinproject bij M. De bladerhoop slinkt met elke handvol die ik in een plastic zak stop. Intussen ligt er op het schoongeblazen erf natuurlijk al weer nieuw blad. Dat kan er ook nog wel bij. In een rustig tempo begin ik het bij elkaar te vegen. Met de bezem.

In mijn hoofd weerklinken stemmen die zeggen: wat een zinloos werk, het ligt zo weer vol. Dat werd me wel toegeroepen door voorbijgangers als ik het blad op de stoep voor mijn oude huis bij elkaar veegde. Ja, dat klopt. Het is letterlijk en figuurlijk monnikenwerk, dit blad vegen. In de zenkloosters is het zo’n typische taak die dagelijks wordt gedaan. Het pad schoonvegen is als je geest schoonvegen. Zo ervaar ik dat ook, het wordt terwijl ik bezig ben steeds stiller in mij. En daarmee wordt mijn bewegen ook steeds stiller. Alleen het geluid van de wind en ritselend blad is er nog, en de regelmatige swoesj van de bezem op het ritme van mijn adem. Blad vegen als meditatie in actie. Zo kan ik wel uren doorgaan.

De inspanning is voldoende om hem goed te voelen, terwijl ik hem in dit gestage tempo prima kan volhouden. Gezond dus ook nog. Bladblazers zijn erg handig als je weinig tijd hebt, net als elektrische maaimachines en heggenscharen. Maar ze ontnemen je ook die gezonde fysieke inspanning die we vroeger vanzelf hadden. Nu hebben we zoveel apparaten om ons leven gemakkelijk te maken, dat we naar de sportschool moeten om die broodnodige lichamelijke oefening te halen. De tijd die vrijgekomen is door al dat gemak, hoe vul je die in? Dat wordt dan de vraag. Of gaat dat vanzelf? En volgt dan dat gevoel van tijdsdruk, waardoor die apparaten nodig zijn om het allemaal nog te kunnen behappen? Daarom maar onderhoudsvriendelijke tuinen? Wat kwam er nu eerst? Apparaten om tijdsdruk op te lossen of vrije tijd dankzij apparaten? Wie weet het nog? Wie staat daar bij stil?

Steeds vaker vind ik monnikenwerk fijn werk. Gewoon met mijn volle aandacht bezig zijn met zo’n klusje dat telkens weer terug komt. Het is nooit klaar. Ik herinner me het verhaaltje over een zenmeester die, toen de monniken het pad prachtig schoongeveegd hadden, aan de boom schudde zodat er weer nieuw blad viel. En mij komt weer het beeld voor ogen van de gevelsteen die ik ooit fotografeerde in Amsterdam: Nooit Volmaakt. Dat draag ik inmiddels al zo’n veertig jaar als mijn motto mee: als een herinnering dat niets ooit volmaakt is, noch vol-maakt. Dus dat het goed is om op een gegeven moment, als ik het gevoel heb dat er genoeg is gedaan, te stoppen, af te ronden, voor nú. Als het om een project gaat dan ook samen te vieren dat het, voor nú, klaar is.

Maar ‘nooit vol(-)maakt’ is ook altijd een aansporing geweest: om weer door te gaan, verder te gaan, na het feestje, na het rusten. Omdat er altijd wel weer meer te doen viel. Voor mij, voor iedereen. Voor mij soms op een andere plek, omdat er op de oude plek anderen waren die konden doorgaan; en er voor míj niets meer toe te voegen viel, ook al viel er weer meer blad – door de wind of door het schudden door de meester.

Het is nooit klaar. Zolang er leven is, is niets ooit klaar. Dat is de prachtige, krachtige symboliek van het bladvegen. Het doet goed daaraan herinnerd te worden. Swoesj swoesj….

Niets zo mooi overigens als een schoongeveegd pad waarop een nieuw blad neerdwarrelt.

Buiten mijn invloed

Langzaam word ik wakker. Het is nog wat donker, toch is het al half negen geweest. Geen zon dus nog, kennelijk. Zo gaan de eerste gedachten die ik vanochtend heb al weer over het weer, constateer ik met een glimlach. Ik draai me nog even om, voel mijn armen, benen, voeten, handen, romp, hoofd. Alles is er nog, alles doet het nog. Gelukkig. In de verte hoor ik een geluid, waarvan ik weet dat het de zee is. Het is zo stil hier dat ik die in bed, met het raam op een kier, kan horen ruisen. Het is een heel rustgevend geluid, waarin ik zachtjes nog even wegdoezel.

Als ik de gordijnen opentrek zie ik een grote grijze lucht, een natte straat. Ik moet goed kijken om te ontwaren dat het miezert. Geen mens op straat te bekennen. Ik probeer de grijsheid en de nattigheid weg te blazen, zodat de zon zich kan laten zien. Helaas, dat lukt me niet. Buiten mijn invloed.

Ontbijt dan maar. Koffie. Als ik de kraan opendraai komt er water uit. Wat een wonder toch. Heb ik ook geen invloed op, maar het is er elke keer gewoon weer. Ik kan me in mijn hele 63-jarige leven maar één keer herinneren dat er geen water uit kwam. Dat was de keer dat de bliksem ingeslagen was geweest, en ook een gaatje in de waterleiding had geboord. De loodgieter had het druk en kon pas twee dagen later komen om het te repareren. Twee dagen geleefd als in de landen waar je naar de waterput moet lopen om je rantsoen voor de dag te halen. Ik kon bij de naaste buren terecht, één minuut lopen, voor een paar emmertjes. In het zwembad, vijf minuten lopen bij mij vandaan, was een douche.

Nu heb ik vakantie, in mijn vertrouwde vakantiedorp aan zee. Als kind kwam ik hier ook al, er woonde familie en het strand was altijd rustig. Ideale combinatie. De familie is weggetrokken of overleden, het strand is nog steeds rustig. Ondanks alle veranderlijkheid in het leven, verandert er hier zo op het oog weinig. Ik kom hier, sinds 2016 al weer, twee keer per jaar op vakantie, en moet goed kijken om verandering waar te nemen. Het best zie ik het nog op het strand, waar de zee opnieuw steeds verder oprukt richting het nieuw aangelegde duin; dit voorjaar heeft ze er al weer een hapje uit genomen. De zandmotor doet zijn werk niet zoals gepland, de zandzuiger ligt verderop voor de kust en spuwt dikke stromen nieuw strand uit. Uit de geschiedenis van het dorp weet ik dat al het eeuwen zo gaat, alleen de techniek is moderner. De tijd lijkt hier stil te staan. Maar de klok aan de muur telt de minuten gestaag weg, elk half uur gepunctueerd door de slagen van de kerkklok. Tijd verglijdt, de zee doet eb en vloed en knabbelt zand weg, zonder dat we er iets over hebben te zeggen. Buiten onze invloed.

Er woont nog wel veel familie in de buurt, en goede oude vrienden. Mijn vakantieadres is een mooie uitvalsbasis, niet alleen voor urenlange wandelingen langs het strand, maar ook voor bezoekjes. Omdat ik in het zuiden woon zie ik ze niet zo vaak, en sinds mijn ouders zijn overleden zijn hun verjaardagen als vaste ontmoetingsmomenten ook verdwenen. Dit voorjaar bleef het vooral bij bellen, of een beetje zwaaien en een bloemetje achterlaten bij  de voordeur. Nu zitten we weer bij elkaar, keurig op anderhalve meter, met ‘knuffels en zoenen’ van een afstandje. Het c-woord is meestal minstens éven onderwerp van gesprek en gezien het toenemend aantal besmettingen en zieken is het opmerkelijk dat niemand tot dusver getroffen is. Men blijft voorzichtig, maar gaat wel de deur uit, ook de tachtig-plussers. Zij hebben allemaal WO II bewust meegemaakt, worden daar bij berichten over avondklok weer aan herinnerd. Er is bezorgdheid. Maar iedereen leeft door, en doet wat-ie te doen heeft. Mijn oudtante glimlacht naar me vanuit haar stoel, met haar honderd jaar wijsheid. “Kom je nog ‘ns?” Want ja, het kan nog wel even duren, wie zal het zeggen. We weten het niet. Buiten onze invloed.

Op het strand

in de bijna duizelingwekkende ruimte

van zee, zand en lucht

alles even vrij van afleiding

ontdaan van overbodigheid

op een enkele meeuw en vlucht strandlopers na

daar even, o even

voel ik mijn passen op het zand als een

eeuwig stilstaand bewegen

alsof ik de tijd onder mijn voeten wegduw

terwijl van voortgaan geen sprake is

voel ik mijn gedachten stokken

omdat ze niet de werkelijkheid zijn

waarin ik vertoef

Wat doet het er toe

zo wonderlijk is hier te zijn

te midden van al deze

voortdurend veranderende vormgegeven leegte

Denken doet zeer

“Denken doet zeer, daar begint het mee”. Zo staat geschreven op de achterkant van het blaadje op de Loesje-kalender voor vandaag. Elke maandag staat daar ‘een openingszin voor een nieuw verhaal’. Deze raakte direct de eenvoud-snaar in mij. Dit is inderdaad een mooie zin om mijn blog van vandaag mee te beginnen.

Want als het stilstaan bij eenvoud me iets heeft geleerd, dan is het dat juist het denken -dat wil zeggen bewust denken, nadenken over dingen- meestal in de weg zit om eenvoud te ervaren. Zodra ik dit bij mezelf weer zie gebeuren schiet me altijd die andere zin te binnen, uit een liedje van Robbie Williams:

“I’m contemplating thinking about thinking

It’s overrated, (just get another drink and

Watch me come undone)

Ja, denken is ook wat mij betreft flink overschat – al is voor mij de oplossing niet om het ongemak van die constatering onder een laagje alcohol te bedekken. Ook wel eens gedaan natuurlijk, maar dat leidde alleen maar tot meer hoofdpijn. Of die nu van denken komt, of van alcohol maakt in de beleving ervan geen verschil. Hoofdpijn is hoofdpijn. Zo eenvoudig is dat.

Waarom is denken overschat? Ik heb wel eens het gevoel dat het net is als met sommige liefdes: je kunt niet zónder leven en je kunt er niet méé leven. We hebben ons denken ook hard nodig; sterker nog, we zouden het niet hebben als het niet nodig was, daar heeft de evolutie goed voor gezorgd. Maar er is meer dan denken, en dat lijkt soms volledig uit het zicht verdwenen. Denken, nadenken, is als een koning op de troon geplaatst en overheerst. Ook dat deel van het leven dat er niets mee te maken heeft. Zoals ons gevoelsleven, en onze lichamelijke sensaties.

Mooi bedacht allemaal, maar wat betekent het nu eigenlijk? Een eenvoudig voorbeeld van gisteren, toen ik meedeed aan een georganiseerde wandeling. Lekker weer, aardige mensen, mooie omgeving, en een afstand die te overzien was voor me. Vijfzesde van de wandeling ging prima. Het laatste stuk voelde ik mijn linkerheup, -been en beide voeten steeds meer pijn gaan doen. Het werd steeds moeilijker om mijn aandacht ergens anders naar toe te brengen. En niet te vervallen in denken over “Hoe lang nog en hoe ver? Ik houd dit niet vol. Had ik maar…… (niet) gedaan” (vul maar in). Mijn denken probeerde allerlei oplossingen te vinden voor mijn lichamelijke pijn, die natuurlijk gewoon niet te ontlopen viel. Waar ik het grootste deel van de wandeling had lopen genieten, werd dat laatste stukje, met het eindpunt in zicht, een moeizaam verhaal.

In dat laatste zat hem de kneep. We konden op een gegeven moment dat eindpunt al zien. “We zijn er bijna, met nog een klein ommetje” zei onze gids. En toen begonnen mijn heup, been en voeten op te spelen, in de verwachting dat we er zo zouden zijn. Ik schreef het onlangs al: geen verwachting, geen probleem. Verwachting roept verlangen op en dat wil vervuld worden. Dan gaat het denken met je op de loop, in plaats van dat alleen de voeten rustig blijven lopen. Dat denken verergert de pijn alleen maar: denken doet dus zeer. Hetzelfde geldt voor de vervelende gevoelens die erbij opkomen. Pijn en gevoelens kunnen alleen maar gevoeld worden, niet ‘weggedacht’. In dit soort gevallen is de rol van het denken ‘overrated’. Is eenvoud: gewoon blijven doorlopen, met zere voeten; en een diepe zucht van verlichting slaken als je op het eindpunt neerzakt in een stoel, met iets lekkers te drinken.

Mijn wandeling is een eenvoudige en onschuldige illustratie van het overschatte denken. Maar het geldt in veel meer, minder onschuldige, gevallen als je plezier hebt, of pijn ervaart – lichamelijk of gevoelsmatig. De hele coronamaatregelen-discussie bijvoorbeeld wordt gevoerd op grond van – al dan niet wetenschappelijk onderbouwde – argumentaties. Allemaal denkwerk, gericht op de oplossing van een probleem dat op een heel ander niveau speelt: op een heel basaal gevoelsniveau, het gevoel bedreigd te zijn in ons bestaan. Ook al moeten we nadenken over oplossingen om de bedreiging te verminderen, als dat al kan, toch is het goed te beseffen dat dat het bedreigde gevoel niet oplost. Daar wat meer bij stilstaan zou goed zijn. Dat vraagt geen nadenken, dat vraagt mededogen.

De schoonheid van de eenvoud

Ochtend. De lucht is betrokken. De zon heeft zich eerder wel even laten zien, een streep goudgeel in het blauwzwart van de ontwakende morgen. Maar nu gaat ze schuil, en verraadt ze haar aanwezigheid in het licht dat zichtbaar is in de wolken. Buiten beweegt de wind alles; een vogel zeilt in volle vaart langs. Een enkele bloem licht hier en daar wit op in het grijzige licht: een roos, een tweede bloei van de vlinderstruik, de laatste zonnehoed.

Binnen is het stil. Zichtbaar in de schaal met walnoten die, vers uit de boom in de tuin van een vriendin, roerloos liggen te drogen. En in de kat, in diepe slaap, jaloersmakend klein opgerold in een warm balletje, na haar nachtelijke escapades; ze had luid en duidelijk een ontmoeting met de buurkat die niet heel vreedzaam verliep. Als ik haar zo lieftallig zie liggen verwondert het me opnieuw hoeveel felheid ze ook in zich bergt. Ze is net zo zwart-wit in haar doen en laten als in haar vacht.

Hoorbaar is de stilte. In het suizen van de verwarming, in de wind om het huis. Ik hoor in die wind de eeuwigheid. Dat stemt tevree, temidden van de vergankelijkheid die zich buiten toont: de herfst is begonnen.

Buiten wonen maakt het verloop van de seizoenen bewuster. Net als de schoonheid ervan. Pas hier in Brabant ben ik de herfst gaan waarderen, omdat de kleur en geur ervan zoveel meer tot me doordringen. Misschien ook niet toevallig, omdat mijn wonen in Brabant samenvalt met het intreden van de herfst van mijn leven. Nog steeds is de lente mijn lievelingsseizoen, kom ik mét de natuur tot leven. Zomer en winter zijn, ieder op hun heel eigen manier, voor mij tijden van verstilling. De herfst brengt nieuwe activiteit: oogsten wat tot rijping is gekomen, en genieten van die oogst. Een korte, intense opleving voordat de natuur in winterse rust gaat. De herinnering dat alles wat tot leven komt, ook weer vergaat. Telkens opnieuw, in een eeuwige cyclus. Dat ik daar deel van uit maak stemt me dankbaar; dat het na mij doorgaat nog dankbaarder. Ook wel melancholiek; maar dat heb ik altijd een mooi gevoel gevonden, omdat er zowel verdriet als aanvaarding van die vergankelijkheid in zit.

Ik heb de herfst nu ook in huis gehaald. Met een enkele bos chrysanten. Ze zijn tegenwoordig zo’n beetje het hele jaar door verkrijgbaar, maar ik koop ze alleen in de herfst, hun natuurlijk seizoen. Ze ruiken voor mij zelfs naar herfst. Dit keer zijn het witte, met wat geel-groen in het hart. Ze herhalen het wit van de overgebleven bloemen in de tuin. Het zijn er vijf, verspreid over de woonkamer. Want de ikebana van een van mijn cursisten heeft me geleerd hoe mooi een enkele bloem op een vaas kan zijn. Het gaat in ikebana om de compositie – die kan zelfs de meest simpele bloem tot een ware schoonheid maken, zelfs als ze al een beetje verlept. Eigenlijk ben ik niet zo’n fan van chrysanten. Maar zoals ze nu in mijn woonkamer staan, fier, krachtig en stralend wit, zijn ze hét toonbeeld van de natuurlijke schoonheid van eenvoud.

Buiten wordt het lichter, in mij wordt het stiller. De schoonheid van de eenvoud behoeft niet zoveel woorden.

Verveling en vernieuwing

“Ik zit mij voor het vensterglas

onnoemlijk te vervelen.

Ik wou dat ik twee hondjes was,

dan kon ik samen spelen.”

(Spleen, Godfried Bomans)

Dit gedichtje, in het bundeltje Ongerijmde Rijmen dat mijn ouders al hadden toen ik nog kind was, verwoordt haarfijn het gevoel van intense verveling dat ik op regenachtige zondagen kon hebben. En dat me nu niet gisteren, maar vandaag op maandagmorgen, even overviel. Druilerig weer, geen zin om buiten te spelen, geen zin om te lezen, geen zin om wat dan ook te doen. Naar buiten staren, en met mijn vinger de loop van de regendruppels op het raam volgen. Nu zou ik het meditatief noemen; toen was het opperste verveling. De stem van mijn moeder: ga eens iets doen! Als ik dan niet zelf iets verzon, liep ik het risico ingelijfd te worden voor een of ander nog vervelender huishoudelijk klusje. Dan maar liever een boek pakken en doen alsof….

Verveling is een groot taboe. Ik heb het altijd een bijzonder verschijnsel gevonden, dat totale gevoel van leegheid en tegelijk onrust. Er is niks, ik wil niks, en toch voel ik me er niet mee op mijn gemak. Ik heb er zelfs filosofieboeken over gelezen; die zijn er, en ze zijn boeiend genoeg om er je verveling een tijdje mee te verdrijven. Maar niet voorgoed. Verveling is er als een onmiskenbaar menselijke ervaring, maar het is bijna net zo’n groot taboe als jaloezie en afgunst. Vervelen mag niet. Daarom maken we ons maar druk. Met werk, social media, cupcakes bakken, seks, of voor de tv hangen voor de volgende Netflix-serie. Of wat je maar kunt verzinnen. Om die leegte en die onrust maar niet te voelen. Ik weet er van mee te praten.

Ik werd maximaal in de verveling gestort toen ik ging mediteren. Oh, niet die twee periodes per dag thuis. Dat was alleen maar fijn, temidden van de normale drukte. Even alleen maar telkens tot tien tellen, 20 minuten lang; dat kon dit juffertje ongeduld goed gebruiken. Nee, verveling kwam pas toen ik hele weken ging mediteren, in de retraites. Na twee dagen is je brein wel klaar met denken over van alles, en er komt relatief weinig nieuwe input. De vloer voor je, waar je je blik laat rusten, heb je na twee dagen ook wel gezien. Maar je moet er nog vier. Hoe hou je dat ongedurige denkraam in vredesnaam al die tijd zoet? Je lichaam doet het wel, dat krijgt genoeg rust, voeding en beweging, en is daarmee prima tevreden. Als het zeer gaat doen heeft je brein het daarmee weer even druk, maar ook dat houdt op een gegeven moment op. Ik heb me nog een tijdlang kunnen bezighouden met het innerlijk zingen van liedjes; ik zing graag. En met het zien van patronen in het tapijt, die ik dan leuk een symbolische betekenis kon geven. “Help, ik verveel me! ….Ga dan iets doen!”

Het bereikte zijn toppunt in de tijd dat ik in het klooster zat en we elke maand retraite deden. De leraar daar kon aardig vertellen over verveling. “Oh ja, daar heb je die vogel ook weer…”. “Oh ja, daar komt de kat ook al weer aan…”. Je hebt het allemaal al zó ontzettend vaak gezien en gehoord, je gelooft het wel. Dan doemt de leegte van de verveling op als een enorme muur waar je je hoofd tegen stuk loopt. Er is geen ontsnappen meer aan.

En daar bleek het precies om te gaan. Ik herinner me het moment waarop ik het zó zat was dat ik in staat was op te staan en weg te lopen. En nooit meer terug te komen. Maar ja, we zaten middenin een meditatieperiode, en dan doe je dat niet zo maar. Iedereen bleef zitten, dus ik ook maar. “Dan loop ik aan het einde ervan wel weg.” Zo zittend, in de diepste leegte van wat ik verveling noemde, gebeurde er ineens iets anders. Kreeg het ineens een andere gevoelskleur, klonk het gezang van de vogel als volstrekt nieuw, en voelde ik me niet langer zwaar en teneergeslagen maar juist fris en energiek. Mijn verzet tegen de verveling was verdwenen en toen bleek de leegte weldadig te zijn, een bron van vreugde en mogelijke nieuwe ervaringen.

Sindsdien heb ik me nooit meer verveeld, wel veel leegte ervaren. Ik ben niet bang om oud te worden en achter de geraniums te verdwijnen. Als het verzet wijkt, komt de leegte van de verveling tevoorschijn als een grote bron van vernieuwing. Het kan gaan om ideeën, zoals vanochtend in dat moment van ‘verveling’, dat ineens het onderwerp van dit blog kon worden. Maar ook om hoe je je ten diepste voelt als mens, in relatie tot de mensen en de wereld om je heen.

Dus als een kind roept, “Help, ik verveel me!”, ga ik er graag eens naast zitten: “Goed zo! Kom, gaan we dat samen zitten doen.”

Leegte

Maandag blogdag. Een leeg vel, een leeg hoofd. Dat wil zeggen, een hoofd dat zich niet pijnigt met de vraag wat nu te schrijven. Omdat het weet dat als het even rustig wacht, zich vanzelf een onderwerp aandient. Dat hoofd is dus eigenlijk helemaal niet leeg, maar vol van ongeboren mogelijkheden. Een soort scherm, waarop vanzelf beelden en woorden verschijnen.

Schrijven naar aanleiding van een actueel onderwerp of een recente gebeurtenis gaat het makkelijkst. Zo komen er nu al snel twee onderwerpen bovendrijven. Eentje aardig en lief, naar aanleiding van een wandeling gisteren. Het andere pittiger, dat kan wel wat beroering geven. Ik kies voor het laatste, het eerste kan ook later.

Het begint onschuldig, met de pedicure. Ze komt aan huis, ze installeert zich met haar spullen en ik schenk haar koffie in. Als ik haar vraag hoe het met haar gaat verzucht ze: “op zich wel goed, maar ja, wel spannend wat vanavond gaat brengen…” Vanavond is de persconferentie over mogelijk nieuwe corona-maatregelen. Ik kan me haar zorg voorstellen. Een contactberoep hebben, weer een tijdje niet mogen werken? Ze zal niet de enige zijn, naast de horeca-ondernemers, die daar niet gerust op is.

Eerder in de week sprak ik een hele goede vriendin. Beeldbellen via Whatsapp. Dat doen we pas sinds de lockdown van dit voorjaar, grappig genoeg. Ze heeft ook een contactberoep, en is omringd door kwetsbare mensen. Dus al maanden voorzichtig, net als ikzelf. Ze vertelde dat ze net een situatie had meegemaakt waarin er wat mensen waren die het iets minder nauw leken te willen nemen met de afstandsregel. Dat had haar geraakt, zij kan zich dat niet permitteren. Ik herken het, wil ook die afstand bewaren omdat ik door de meditatielessen die ik geef wekelijks met veel mensen in aanraking kom. En we zijn ons er beiden zo van bewust dat het niet alleen om die mensen gaat met wie je direct in aanraking komt; er is ook het zogenaamde ‘ripple-effect’: iedereen heeft weer een groep mensen om zich heen , en ieder van die mensen ook weer. Alles wat ik overdraag aan de mensen in de zendo verspreidt zich in steeds wijdere kringen. Dat geldt voor de positieve kanten van het mediteren, maar ook voor een eventuele corona-besmetting. Die geef ik, net als zij, liever niet door.

We zijn dus beiden niet eens zo bezorgd om onszelf, maar wel om die kringen mensen om ons heen. We (er)kennen beiden ook ons verlangen om weer nauwer contact te hebben, wie ons lief is een knuffel te geven, eens een hand op een arm of schouder te leggen, uit volle borst te zingen en lekker samen te schaterlachen. Maar we geven er niet aan toe. “Verlangen bestaat bij de gratie van niet vervuld zijn” schrijft Mark Epstein in zijn prachtige boek Vol verlangen. Zodra het vervuld is, is het weg. Maar verlangen kan zoet zijn, ook als het nooit wordt vervuld. En verlangens hoeven niet per definitie vervuld te worden. Lang niet alle verlangens kunnen vervuld worden. We hebben er in elk geval geen recht op dat ze vervuld worden. En kunnen dat ook niet verwachten. Dat is wijsheid die ik al jong dankzij mijn ouders verwierf. Net als het feit dat alle argumenten die ik verzinnen kon er alleen maar op gericht waren mijn zin te krijgen, maar in het licht van het grotere plaatje dat ze me voorhielden tekort schoten. Ik ben de laatste om te beweren dat ik deze wijsheid altijd goed in de praktijk breng, mijn verlangens kunnen nog steeds met me op de loop gaan. Maar ik kan er wel naar toe terug als blijkt dat ik op een doodlopende weg zit.

Soms weet ik niet wat sterker is, mijn verlangen of mijn verwachting dat ze vervuld wordt. Wat ik wel weet is dat het verlangen goed hanteerbaar wordt als ik me bewust wordt van mijn verwachting en haar laat varen. Mijn meditatiebeoefening helpt me telkens weer bij die bewustwording. En dan kan ik weer kijken: als ik die verwachting laat varen, wat gebeurt er dan? Wat is eenvoud nu?

In de verzuchting van de pedicure hoor ik haar verlangen en verwachting dat het, ooit, wel weer ‘normaal’ zal zijn. In haar verzuchting hoor ik de verzuchting van zo velen die datzelfde verlangen en verwachten. Inclusief die van ‘de jeugd’ die weliswaar gemaand wordt de regels te handhaven, maar wel met de toevoeging dat het tijdelijk is. Zij zien op die manier hun verlangen en verwachting dus alleen maar aangewakkerd worden.

Ik kijk mijn pedicure aan, knik haar toe en zeg dat ik zo blij ben met mijn meditatiebeoefening. Omdat die helpt verwachtingen te laten varen. En dat als er geen verwachtingen zijn, er ook geen probleem ontstaat. Ze kijkt me aan, neemt een slokje koffie, en zegt “Da’s een goeie!” Ze gaat zitten en geeft al haar zorg aan mijn voeten.