Vergankelijkheid

Deze weken verdiep ik mij in vergankelijkheid. Niet filosofisch, intellectueel, als concept. Maar letterlijk me dieper inleven in wat vergankelijkheid teweeg brengt bij me. Visualiseren hoe mijn dierbare kat Snuitje geleidelijk in de verte verdwijnt, oplost. Dat er geen zee, geen groene natuur meer zou zijn. Snuitje zie ik rustig van me wegwandelen, verdwijnend aan de einder, zwarte staart recht in de lucht. Bij het verdwijnen van de zee en de groene natuur verpieter ik ook.

Waarom zo’n oefening doen, lijkt morbide nietwaar, waarom zou je je daarmee bezighouden als zoiets nog niet aan de orde is. Het tegendeel is eerder het geval, niets is realistischer, en soms troost- en rustgevender, dan volledig doordrongen te zijn van hoe vergankelijk alles is. Want hoe je het ook wendt of keert, alles, werkelijk álles komt en gaat. Verschijnt en verdwijnt. Van de kleinste tot de grootste dingen. Plezier verdwijnt, pijn ook (gelukkig maar). Je jeugd en je midlifecrisis (gelukkig maar). Intellectueel is dat goed te snappen, een open deur: ja én, so what? Gevoelsmatig is het een heel ander verhaal. Dat weet je ineens weer als je ziek wordt, je je baan verliest, gaat scheiden of een geliefde dood gaat. Dan blijkt de totaal vergankelijke aard der dingen helemaal niet zo vanzelfsprekend. Dan doet het gewoon pijn, veel pijn. Een pijn die niet verdwijnt door jezelf voor te houden dat alles vergankelijk is. Dat is dan alleen maar een intellectuele dooddoener, die niet verlichtend werkt maar eerder je pijn verergert omdat die met zo’n trucje niet erkend wordt.

Hoe moeilijk het is om dat vergankelijke daadwerkelijk te (be)leven als het zich onontkoombaar aan je opdringt maakte ik jaren geleden mee toen een zeer gewaardeerde cursist van me dodelijk ziek was en in zijn eindfase verkeerde. Een veertiger, getrouwd, een nog jonge dochter, altijd kerngezond, en daar was dan de eindigheid…Hij wilde me nog een keer spreken en ik ging bij hem op bezoek, in de wetenschap dat het de laatste keer zou zijn dat ik hem zou zien. Moeilijk, pijnlijk, maar het was ook een mooie ontmoeting. In zo’n eindfase vallen alle sociale plichtplegingen weg en ontmoet je elkaar van mens tot mens. Hij vertelde dat alles waar we het in de zen-bijeenkomsten over hadden gehad, ook over vergankelijkheid en dood, dat hij dat nu zo ontzettend moeilijk vond. Ja, dat is het ook. Het klinkt allemaal heel mooi zolang het nog niet aan de orde is, maar als het zover is, lééf het dan maar eens. Op die manier spraken we er over, met weinig woorden, en veel pauzes omdat hij heel moe was en af en toe een beetje weggleed. Ik had het gevoel met lege handen daar te zitten – wat heb je te bieden in zo’n situatie, alles is al snel een platitude of ongepast advies. Zijn weduwe vertelde me bij de uitvaart twee weken later hoe goed de ontmoeting hem had gedaan.

Erbij kunnen blijven, zonder iets aan de situatie te hoeven of willen veranderen, met woorden of gebaren. Het totale gewicht van die situatie mee kunnen (ver)dragen. Gaat dat, of wend ik me eigenlijk af, probeer ik te verdoezelen wat ik te pijnlijk vind, met troostende woorden? Wie of wat wordt er getroost? In het meedogenloze mededogen van mijn oefening kom ik dit allemaal tegen. Ook mijn grenzen in dat (ver)dragen. Dan kan ik stoppen. Dat is het mooie van een oefening. Het later nog eens proberen en kijken waar de grens dan ligt.

Je zou zeggen: waarom ‘droog’ oefenen, het dagelijks leven biedt oefening genoeg. Ernstige ziekte in mijn nabije omgeving. De broosheid van mijn 102-jarige oud-tante. De dood van weer een belangrijk spiritueel leider die een diepe wijsheid zichtbaar belichaamde. Méér dan oefening genoeg, wel een oefening die ik níet kan stoppen om op adem te komen als mijn grenzen bereikt lijken. Een levensechte oefening die doorgaat of ik het nu draaglijk vind of niet. Waarin de diepe wijsheid over vergankelijkheid van een Tutu of een Thich Nhat Hanh mij alleen helpt als die ook bij mij tot in al mijn vezels is doorgedrongen. Ik durf echt niet te zeggen dat dat het geval is. Dus ik blijf maar dooroefenen, ook ‘droog’ met de oefening van de laatste weken. Dat hebben Tutu en Thich Nhat Hanh ook gedaan. Dat leefden zij hun hele lange levens zo mooi voor, dat onvermoeibaar dooroefenen. Daarom is hun heengaan zo’n groot verlies.

3 antwoorden op “Vergankelijkheid”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.