Alleen maar dit

vijf dagen retraite

in stilte zitten, lopen, eten, werken

alleen maar dit

met vijfentwintig mensen

onder een weidse lucht

nu eens bewolkt, nat

dan weer hemelsblauw en zonnig

groenten uit eigen tuin

zeven kilo boerenkool

snijden, wassen, rissen

krat na krat

geen plaats voor denken

handen weten wat te doen

alleen maar dit

wassen, rissen, wassen, rissen

het middagmaal, in alle rust

alleen maar dit

ze smaakt hemels, deze boerenkool

Verwachten

Een nieuwe dag is aangebroken, het is fris, de zon schijnt. Boven mij wordt gepraat, aan de overkant is een schilder bezig raam- en deurkozijnen verfklaar te maken. Trapje op, trapje af, op schoenen die aan de bovenkant iets lichtgevend groens hebben. De laatste weken stonden er steigers, toen deden ze de bovenverdiepingen. Hij werkt nu, met zijn trapje, op de begane grond. Alleen. Er straalt een ouderwetse rust van af. Net als van het gepraat boven, van de frisgewassen zonnige nieuwe dag. Niets wijst erop dat er een gasprijscrisis is losgebarsten.

Natuurlijk kan ik niet kijken in het hoofd van de schilder. Misschien maakt hij zich, terwijl hij bezig is, wel zorgen over zijn energierekening. Ik kan niet verstaan waar het boven mij over gaat in het gesprek – misschien wel over de gasprijzen. Maar even zo goed kan het zijn dat zijn werk de schilder afleidt van zijn zorgen, het gesprek afleidt van de gasprijzen. Zeker is dat de frisse zonnige dag gewoon een frisse zonnige dag is, en niet bezig is met wat ons mensen bezighoudt. De zon schijnt niet om ons te compenseren voor een lager gedraaide verwarming. De herfst draait niet terug naar de zomer om onze behoefte aan warmte te vervullen. De natuur gaat haar gang. Ja, natuurlijk.

Ook wij gaan dus onze gang. Ja, natuurlijk. Alleen hebben wij, om onze gang te kunnen gaan, inmiddels van alles aan hulpmiddelen nodig, en zit in ons een ingebakken verwachting dat die er ook zullen zijn. De schilder heeft zijn verf en kwasten nodig – die moeten wel geproduceerd zijn en hij heeft ze moeten kunnen kopen. Het gesprek boven me kan plaats hebben omdat er een redelijk comfortabel huis is, verwarmd en licht; was dat er niet, dan is de kans groot dat de gesprekspartners eerder iets anders zouden gaan doen, om warm te blijven. Dat ik dit blog typ en publiceer veronderstelt dat mijn laptop blijft werken, er stroom uit het stopcontact komt, en het internet en Facebook in de lucht blijven. Dat dat niet zo vanzelfsprekend is, is vorige week gebleken.

Dat we het warm genoeg hebben is eigenlijk ook niet zo vanzelfsprekend. In elk geval niet voor iedereen, zelfs niet in Nederland. Maar voor heel veel mensen wel en daarom lijkt het vanzelfsprekend. De betrouwbaarheid van onze energienetten ligt tegen de 100% hoorde ik onlangs. Voor grootscheepse uitval hoeven wij niet bang te zijn – op dat niveau zijn we ‘ontzorgd’: we verwachten, en kunnen verwachten, dat de boel blijft draaien.

Hoe niet-vanzelfsprekend dat is realiseerde ik me pas goed toen ik in 2003 voor een grote groep mensen uit ontwikkelings- en transitielanden een presentatie gaf over een nieuwe manier van wetenschappelijk publiceren gebaseerd op openlijke toegankelijkheid via internet. In Nederland hadden we net het plan gelanceerd hoe we dat zouden gaan realiseren met 14 wetenschappelijke instellingen, en stonden aan het begin van de uitvoering van dat plan. Het was internationaal bekend gemaakt, en het sprak tot de verbeelding, vandaar deze uitnodiging om erover te komen vertellen. Ik herinner me niet veel meer van die bijeenkomst, maar wat een bibliothecaris uit een van de voormalige Oostbloklanden tegen me zei staat in mijn geheugen gegrift: “Ik weet niet uit welke wand over een uur de stroom komt, en of hij wel komt. We moeten regelmatig naar een ander stopcontact.” Je kunt je voorstellen dat ik me heb afgevraagd wat ik die mensen te bieden had met mijn verhaal over een systeem dat 100% afhankelijk is van de beschikbaarheid van stroom.

En ik hoef niet eens zo ver terug in de tijd: afgelopen weekend zat Libanon een tijdlang zonder stroom omdat de energiecentrales niet meer konden draaien. Gebrek aan brandstof, door gebrek aan geld. Ook als ze het wel doen is er gemiddeld maar zo’n twee uur per dag stroom. Mensen lossen het zo goed en zo kwaad als het gaat samen op met gedeelde generatoren. Of zonnepanelen. Niks ‘ontzorgd’. Wel gemeenschapszin.

‘Ontzorgen’, ‘gemeenschapszin’. Allebei ouderwetse woorden. Ouderwetse begrippen ook. ‘Ontzorgen’ hoorde bij de verzorgingsstaat, en die is inmiddels geschiedenis. ‘Gemeenschapszin’ hoorde bij een tijd van ver vóór ‘participatiemaatschappij’. Gemeenschapszin is iets dat mij van binnenuit drijft, de participatiemaatschappij een extern fenomeen dat mij vraagt deel te nemen aan iets dat anderen hebben ontworpen. Vanuit gemeenschapszin kan ik, samen met anderen, bijdragen aan iets dat ons allen ten goede komt, vanuit ‘ontzorgen’ word ik afhankelijk van wat een ander – bijv. de overheid, of mijn partner – voor mij vermag, of wenst, te doen. Gemeenschapszin kan niet worden opgelegd of georganiseerd. Het wordt wakker zodra we ons realiseren dat we alleen sámen een uitweg kunnen vinden uit een probleem. Niet zozeer richting groeiende welvaart als wel richting bestendig welzijn. Of het nu gaat om klimaatissues, een oppasprobleem, een plots overkokende gasprijs. Zoals ik dit weekend iemand hoorde zeggen: “Dan koken we toch samen een potje?”

Het enige dat voor gemeenschapszin nodig is, is te stoppen met verwachten dat ik het zelf af kan, het alleen moet doen, of dat een ander het probleem wegtovert. Het is voldoende om te durven denken dat ik een bijdrage kan leveren, en de bijdragen van anderen te kunnen ontvangen.

Samen-leving

SAMEN-LEVING

Op de Loesje-scheurkalender staat op zaterdag 2 oktober de tekst:

De Samenleving

Meedoen

is belangrijker

    dan winnen

Het is weer zo’n typische Loesje-tekst, die me als het ware even ‘stopzet’. Een tekst die erom vraagt er op te kauwen, en rustig te laten bezinken. Een tekst waarin in een paar woorden heel veel wordt gezegd. Eentje die tijdloos is, dus altijd iets te zeggen heeft als je naar je huidige omstandigheden kijkt. Eentje die indruist tegen de overheersende mores: “The winner takes it all”.

Alleen al de kop is de moeite waard om bij stil te staan. ‘De samenleving’ is zo’n begrip dat een volstrekte abstractie is geworden. Iets waar je van alles en nog wat aan kunt ophangen wat je mooi, of juist lelijk vindt. ‘De samenleving’ is verdeeld, verhard, jachtig, woelig – ga maar door. Alleen, die samenleving is niets anders dan de verzameling van ons mensen die dingen doen, of niet doen. Het is niet een ding op zich met allerlei kwaliteiten. Zonder ons mensen geen samenleving. Samenleving is letterlijk dat: samen leven. Dat klinkt heel logisch, maar het is iets wat je makkelijk vergeet als we spreken over ‘De samenleving’. Dan kan het zelfs iets lijken te zijn waar je buiten staat, en van een afstandje naar kijkt. Maar zo is het niet. Of ik het nu leuk vind of niet, puur door het feit dat ik leef, maak ik deel uit van ‘de samenleving’. En maak ik voor een deel die samenleving.

Het geeft al een heel ander gevoel als ik uit die kop het woordje ‘de’ weglaat: samenleving. En helemaal als ik een streepje zet tussen samen en leving: samen-leving. Dat doet meer stilstaan bij de daadwerkelijke betekenis van het woord, in plaats van bij die abstractie waar meestal als een automatisme over wordt gesproken. Nog beter is in feite gewoon te zeggen ‘samen leven’. Want dat is uiteindelijk waar het om gaat: we leven hier in dit huis, in deze straat, in deze wijk, in deze stad, in dit land, in deze wereld, simpelweg samen met allerlei andere mensen, dieren, planten, bomen, dingen. Vergeet niet de ‘dingen’: meubilair, vervoersmiddelen, voedsel, stenen, vulkanen, etcetera. Dat samen leven is iets wat we concreet doen, van seconde tot seconde, zo goed en zo kwaad als we kunnen; het is geen abstractie. Me dat realiseren houdt me in levende verbinding met al het andere om me heen, in plaats van de omgeving als een vanzelfsprekend decor te zien van mijn eigen leven. Mijn leven is samen leven.

Als ik er zo naar kijk doet in feite alles en iedereen al mee. Is er geen sprake van niet meedoen, van winnen of verliezen, want dat suggereert dat er iets of iemand kan worden uitgesloten. Dat is ten diepste onmogelijk: alles wat, en iedereen die, nu op deze planeet aanwezig is leeft er samen. Dat ik me daarvan niet aldoor bewust ben is vooral de beperking van mijn waarnemingsvermogen, ik kan niet tegelijkertijd zien, horen, voelen e.d wat zich hier in Heiloo en in Kaapstad en Canberra afspeelt. Dat beperkte waarnemingsvermogen kan wel leiden tot de misvatting dat, omdat ik hier ben en zij daar, wij niet samen-leven. En dat dus iemand hier niet meedoet, of mee mag doen. Een beetje zoals pesten op het schoolplein. Dat ik, als ik harder loop, iets win, en anderen verliezen.

Dat mijn waarnemingsvermogen beperkt is is een gegeven waar ik niet zo veel aan kan veranderen. Wat wel beïnvloedbaar is, is de mate waarin ik me bewust ben van die beperktheid: dat ik nooit, hoe hard ik dat ook probeer, het hele plaatje zal kunnen overzien. Zelfs niet vanuit een raket in de ruimte. En juist het besef van de beperktheid van ons menselijk waarnemingsvermogen helpt om een grote valkuil te zien opdoemen. De valkuil die ontstaat als je je realiseert dat leven al samen leven ís, dat niets en niemand uitgesloten ís, dat er geen winnaars en verliezers zíjn. De valkuil dat er dan dus eigenlijk niets gedaan hoeft te worden, dat het niet uitmaakt of je iets doet, of wat je doet. Het besef van de beperktheid van ons menselijk waarnemingsvermogen doet beseffen hoe makkelijk we kunnen dénken dat we andere mensen buiten kunnen sluiten. Dat ‘ze’, als ze maar hard genoeg werken, ook ‘winnaars’ kunnen zijn in plaats van ‘losers’ omdat ze niet aan een bepaald beeld van ‘succes’ voldoen. Dat we maar al te makkelijk kunnen dénken dat we ‘winnaars’ moeten zijn. Dat we kunnen dénken dat ‘meedoen’ vanzelfsprekend is, of wenselijk, of voor iedereen gegeven. Ongeacht de omstandigheden waarin ze leven.

Ja, ten diepste doen we allemaal al mee. En juist dat stelt de eis aan mij dat ik me bewust probeer te blijven van dat feit en geen grenzen opwerp in mijn denken en handelen aan anderen. Daartegen waarschuwt Loesje.

Beschutting

Het leuke van een nieuwe woonplek is dat er weer van alles te ontdekken valt. Je kunt je omgeving verkennen: waar ben ik? Walt valt hier te zien, te horen, te ruiken, te voelen? Dat oriënteren draagt bij aan het gevoel thuis te komen. En naarmate je ergens langer bent, kan dat te verkennen gebied zich uitbreiden. Je vertrouwde, veilige plek wordt zo steeds groter. En vervolgens blijf je daarin je rondjes lopen, fietsen of autorijden. Zodat het ‘eigen’ blijft en je de veranderingen die er onvermijdelijk plaats vinden geleidelijk ook absorbeert als ‘eigen’: dit is het nú. Wat dat betreft verschillen we misschien niet zo veel van dieren. We hebben allemaal een territorium.

Bij het verkennen van mijn nieuwe woonplaats treffen me regelmatig parallellen met mijn voormalige. Dat gevoel van herkenning maakt het thuiskomen hier eenvoudiger. Niet àlles is anders. De overeenkomsten doen de verschillen meer oplichten. Die kan ik, zo lijkt het, daardoor beter waarderen.

Een van de overeenkomsten is dat ‘mijn’ beide dorpen gesierd worden door een eeuwenoude lindeboom. In Oisterwijk staat hij middenin het centrum, achter het oude raadhuis. Hij gaat terug op de 14e eeuw, en was ooit een plek waar recht gesproken werd. Nu staat hij er, het takkengestel ondersteund, imposant te zijn; en biedt schaduw en een beschutte, rustige plek om even op adem te komen en te genieten van de mooie borders en de vijver die ervoor liggen. De huidige boom is een vernieuwingsboom die spontaan uit het vermolmde hart van de oude is gegroeid. Alsof dat oude boomleven letterlijk uiteen is geweken om ruimte te bieden aan het nieuwe. Een verjonging van binnenuit. Daar kan je dan zitten, met je ijsje, in de 21e eeuw, onder al die eeuwen levende geschiedenis. Wat een kracht…

 In mijn huidige dorp Heiloo staat de linde in het bos, op een heuvel: de Kattenberg. Oftewel Mont Mauw – de naam die hij verkreeg omdat het een geliefd vakantie-uitstapje was in de vele jaren dat vakanties nog vooral in de eigen omgeving werden gevierd. Het is een door mensen gemaakte heuvel natuurlijk, in dit platte Noord-Hollandse land. Opgeworpen met het zand uit de uitgegraven vijver van het huis Nijenburg dat er tegenover ligt. Dat is zo’n 3 eeuwen geleden gebeurd en de linde dateert ook uit die tijd. Het is haar aan te zien. Een prachtige, doorleefde stam, een imposant takkengestel dat fier omhoog de lucht in steekt, alsof ze de lucht wilt omarmen. Een plek die beschutting biedt voor zon en regen, waar je oog kan dwalen en je oor het geluid van kwetterende vogels en kinderen gefilterd door het lindeblad opvangt. Ook deze linde is dus, stevig geworteld in en ééngeworden met haar berg zand, al eeuwen de stille getuige van het leven dat zich rond haar voltrekt. De stille gever van schaduw en beschutting. Een uiting van eeuwigheid die een gevoel van geborgenheid kan geven: ze is hier en je kunt er altijd heen. Haar tijdloosheid geeft haar een eerbiedwaardige kracht. Dat je naar haar moet opklimmen draagt daar aan bij.

Er is een mooi taoistisch verhaaltje over zo’n oude boom. Het heet: de waarde van nutteloosheid. Het vertelt hoe de wijze Lao Tse met zijn leerlingen op reis was en bij een bos kwam waar houthakkers bezig waren alle bomen om te kappen. Eén hele grote boom, met een enorm takkengestel dat schaduw kon bieden aan wel honderd mensen, stond echter nog overeind. Toen ze de houthakkers vroegen waarom die boom niet gekapt was antwoordden ze dat de boom volstrekt nutteloos was: hij was zo krom en vol knoesten dat je er niets van kon maken; zelfs geen brandhout omdat hij schadelijke rook af zou geven. Daarom lieten ze hem staan. Lao Tse vond het prachtig en zei zijn leerlingen: “wees zo’n boom, dan heb je van niemand iets te vrezen. Als je keurig recht bent of er mooi uitziet zul je omgehaald worden, koopwaar worden. Als je bent als die boom, totaal nutteloos, dan zul je hoog en breed uitgroeien en duizenden mensen zullen schaduw bij je vinden.”*

Als ik bij de oude lindes zit voel ik die kracht. De kracht, en de waarde, van totale nutteloosheid. Hoor ik Lao Tse: gewoon alleen maar hier staan en uitgroeien, hoog en breed, en duizenden zullen schaduw bij je vinden. Dat is de lindes, en Lao Tse, gelukt. Al eeuwenlang.

Structuur

Wat doe je als je niet kunt doen wat je zou willen doen? Dat is de vraag die zich ineens aandient terwijl ik wat peinzend voor me uitstaar vanochtend in voorbereiding op deze blogpost. Het is een vraag die ik, in allerlei vormen en maten, de afgelopen dagen voorbij heb zien komen, bij mij zelf en bij anderen. Niet persé zo expliciet benoemd natuurlijk. Meestal uit het zich in een vorm van verzet. Verzet tegen wat er moet, verzet tegen het niet kunnen wat je zou willen. Openlijk verzet, stil verzet. Bewust verzet, onbewust verzet.

Voorbeelden hoef ik eigenlijk niet te noemen, je hoeft niet ver te zoeken om ze te zien. Corona-maatregelen, kabinetsformatie, de (af)was, je werk of juist geen werk. Energietransitie die diep ingrijpt in het dagelijks leven, omdat je bedrijf over moet op een andere productiemethode die veel geld kost en je winst dus gedrukt wordt. Of omdat je je (af)wasmachine moet laten draaien op het moment dat de zon schijnt, omdat dan je zonnepanelen stroom geven. Het te druk hebben en daar iets aan willen doen, maar geen tijd hebben om te niksen. Jarenlange gewoontes gaan op de schop. Als mij dat overkomt denk ik niet direct: ‘Ha fijn!’ En ik ben, denk ik, niet uniek daarin.

Want mijn gewoontes geven structuur aan mijn leven. Net als mijn werk dat deed. En de manier waarop mijn sociale leven vorm kreeg toen ik nog ver van mijn familie vandaan woonde en werkte. Alles is in relatief korte tijd op de schop gegaan en dat desoriënteert. Eigenlijk ontstaat er chaos. In mijn geval vrijwillig, omdat ik het anders wilde en de mogelijkheid zich aandiende. Ik heb het dus zelf over me heen gehaald. Als je er onvrijwillig aan onderworpen wordt kun je tenminste nog naar iets of iemand anders wijzen als de veroorzaker.

Maar of je gewoontes, je structuur, nu vrijwillig of onvrijwillig overhoop gaan, het effect in je leven is hetzelfde. Chaos. Onrust. Gedoe om het weer op orde te krijgen. Moeite. Emoties als het niet, nog steeds niet, gaat zoals je wilt. Verlangen naar vroeger, want toen ging het goed. Oh ja? Verwarring. Puinhoop. Verzet. “Het moet anders.” “Had ik net gedaan.” “Pfffffffff……..ik weet het niet meer.”

En dan is het ook nog gewoonte om die ongekuiste versie die zich in je hoofd afspeelt netjes te verwoorden in rationele, logische zinnen, die laten zien dat het ondertussen wel goed gaat. “We hebben uitstekende gesprekken gehad, maar de omstandigheden van de laatste dagen hebben de situatie wel gecompliceerd.” “Ik ga er even tussenuit voor een reset. Heerlijk!” Maar ondertussen….En die ander die het heeft veroorzaakt lost het ook al niet op.

Verandering in je gewoontes, je structuur, is ontzettend moeilijk, verzet veel logischer maar doodvermoeiend. Het is een beetje alsof je tegen een draaikolk in probeert te zwemmen, zoals blijkt uit een Taoistisch verhaaltje. Beweeg erin mee, en je komt vanzelf weer boven, zonder al te veel energieverlies. Het lijkt onlogisch je over te geven aan een draaikolk, zoals veel taoistische en zen-wijsheid onlogisch lijkt. Maar ja, logica gaat over verstand, en wijsheid gebruikt meer dan alleen verstand.

Tegelijkertijd is wijsheid alleen ook niet voldoende als je structuur verandert. Ik heb bijvoorbeeld moed en geduld nodig – of liever het voornemen en de lange adem – om met die draaikolk mee te bewegen. Toewijding dus. En vooral: heel veel mededogen. Mededogen jegens mezelf. Omdat het moeilijk is. Omdat ik telkens weer terugval in mijn oude gewoontes. Omdat ik nu eenmaal een mens ben, inclusief een behoefte aan structuur.

Ik prijs me gelukkig dat in alle verandering in mijn leven, één gewoonte altijd overeind blijft, een gewoonte die een basisstructuur biedt waarin al het andere overhoop kan gaan en ik niet hoef te weten hoe het verder moet. Dat is mijn meditatie-oefening. Eén of twee keer per dag twintig of vijfentwintig minuten op mijn meditatiekussentje houdt me stabiel aan het meebewegen en brengt me telkens terug in contact met de zinderend stille ruimte die er doorheen de chaos is. Terug in contact ook met het mededogen jegens mezelf dat ik zo nodig heb in mijn terugkerend geworstel. Terug in contact met het mededogen jegens anderen als ik ze zie in hun terugkerend geworstel. Zonder de structuur van die oefening gaat dat niet. Die is ‘goud’. Want zonder mededogen redden we het in het leven niet.

Wat drijft mij?

Op koers met ikigai

Vijf jaar geleden kwam ik voor het eerst in aanraking met het fenomeen ‘ikigai’. Het riep meteen vragen op. Allereerst natuurlijk over de betekenis van dit Japanse begrip. Japanse woorden zijn dikwijls moeilijk te vertalen omdat Japans een beeldtaal is: de woorden worden geschreven in karakters die in feite een abstractie zijn van een plaatje, een beeld. Een woord bestaat dikwijls uit meerdere karakters, meerdere beelden dus, die samen niet alleen een betekenis vormen maar ook een sfeer oproepen. Of beter gezegd: de sfeer die de karakters oproepen bepalen mede de betekenis van het woord. En die sfeer is natuurlijk weer heel erg bepaald door de Japanse cultuur. Nu heb je dat met Nederlandse woorden ook wel, maar het pakt met woorden die in letters worden geschreven toch heel anders uit dan met ‘beeldwoorden’.

Kortom: ‘ikigai’ vertalen is niet zo makkelijk, maar het betekent zoiets als ‘datgene waarvoor je altijd weer je bed uitkomt’. Ik omschrijf het daarom zelf vaak als: je diepste drijfveer. Met twee aanvullingen: die drijfveer gaat niet alleen over jezélf, hij gaat over hoe je in contact staat en wilt staan met de wereld – de mensen, dieren, dingen, het groen – om je heen. Belangrijk, want normaal gesproken als we over drijfveren spreken hebben we het alleen over ons ‘ik’, ons ‘mijzelf’ en blijft die wereld juist op afstand; willen we “terug naar ons zelf”. Over dat ‘zelf’ kan ik een blog apart schrijven, en misschien wel een boek, dus dat laat ik terzijde. Het gaat me om die intrinsieke verbinding met de wereld om ons heen die in ikigai verondersteld is.

De tweede aanvulling is dat ikigai niet is wat je dóet, maar wat je dríjft in wat je doet. Oftewel: je ikigai kan tot uiting komen in alles wat je doet in je relatie met je familie, vrienden, de natuur, je kleding, je spullen, je collega’s, klanten en je baas. Daarmee wordt het een belangrijke rode draad doorheen je hele leven die je het gevoel geeft dat je leven een geheel vormt waarin je in alles tot je recht kunt komen.

Dit alles sprak me heel erg aan, maar vervolgens diende zich natuurlijk de hamvraag aan: hoe kom ik er nu achter wat mijn ikigai is? Ik had wat tips gekregen van een vriend, maar die hielpen me in eerste instantie nog niet veel verder. Ik las dat groene boekje dat veel mensen wel gezien of gekocht hebben – het was weken een bestseller – maar daar werd ik ook niet wijzer van omdat het niet in ging op die vraag “hoe vind ik de mijne?” Later is er nog een werkboek bij verschenen dat wel meer handvatten gaf, maar waarin je ook behoorlijk kon verdrinken.

Intussen was ik wel met de tips van mijn vriend aan de slag gegaan, en de eerste resultaten daarvan liet ik op mijn eet-en-werktafel liggen. Zo zag ik ze elke dag. Soms voegde ik er nog iets aan toe. Op een dag zag ik ineens een soort rode draad in wat ik had genoteerd. Daar ben ik mee gaan experimenteren, door mezelf telkens bepaalde vragen te stellen als ik bijv. in lastige situaties kwam, of zo maar op straat om me heen liep te kijken. Dat leverde heel interessante ervaringen op. Die zich verdiepten naarmate ik er langer mee bezig was. “Ik heb”, zo dacht ik, ‘goud’ gevonden.” Dat heb ik in mijn hele leven misschien nog geen handvol keren gedacht. Ik ben nu 64.

In mijn coachpraktijk had ik een paar mensen die op een keerpunt leken te zitten en op zoek naar nieuwe richting. Met hen heb ik de ikigai-oefening ook opgepakt, en net als bij mij waren de ervaringen indrukwekkend: of ze vonden een nieuwe koers, of werden in hun koers bevestigd. Dat laatste is soms nog bevrijdender dan het eerste. Al is het maar omdat je je realiseert dat je niet hoeft te veranderen in wát je doet, maar daarin sterker komt te staan omdat je zekerder bent van wat je erin drijft. Anders gezegd: waartóe je het doet. En door de intrinsieke connectie met de wereld om je heen krijg je ook niet het gevoel dat je egocentrisch bezig bent of op een eilandje zit.

Goud dus. Jammer dat zo weinig mensen er van weten. Of weten hoe bij hun ikigai te komen. Ik gun het iedereen. Zeker in onze moderne wereld die zo verwarrend en chaotisch kan zijn en waarin je dan maar een weg moet zien te vinden. Daarom heb ik workshops ontwikkeld. De ervaringen die ik daarmee tot nu toe heb opgedaan bevestigen me iedere keer weer: dit is goud. Ik word er ook heel blij van om te zien hoe blij deelnemers na afloop de deur uitgaan. Binnenkort geef ik er weer een in Eindhoven; dit najaar komt er ook een in Alkmaar. En ik denk er zelfs over een soort ‘ikigai community’ op te zetten, voor mensen die er mee bezig (willen) zijn en met enige regelmaat inspiratie willen opdoen.

Wat me hierin drijft? Mijn ikigai: vriendschap.

Wachten

Al dagen speelt het woord ‘wachten’ door mijn hoofd. Eerst omdat ik het gevoel had dat ik zat te wachten, op ‘iets’ waarvan het natuurlijk volstrekt onduidelijk was wat het was. Vervolgens leek het me een mooi onderwerp voor dit blog. Maar ook wel moeilijk. Moest ik dat wel doen? Een post op Facebook gisteren, met een indringende foto en korte tekst over ‘wachten’, gaf de doorslag. Ga die moeilijkheid maar aan. Kijk maar of je ‘wachten’ kunt uitlichten met woorden.

De foto op Facebook toonde ‘wachten op de trein’. Het wachten heeft een duidelijk doel en duurt, als alles meewerkt, niet al te lang. In zo’n wachtperiode sta je misschien even bij te komen van de dag, te sudderen op wat je hebt meegemaakt, te kijken naar de maan, of op je telefoon. Dat laatste wel vaak – dan lijkt het wachten te worden opgevuld opdat het geen wachten hoeft te zijn. De Facebook-post vulde dat allemaal niet in, maar liet ruimte voor alle verhalen die je bij zo’n foto kunt verzinnen. En bij ‘wachten’.

Het eerste wat bij mij, al voor de Facebook-post, opkwam was het toneelstuk van Samuel Beckett: Waiting for Godot. Een paar jaar geleden zag ik dat als film. Het maakte diepe indruk. In een vrijwel leeg decor wachten twee vrienden op meneer Godot. Aan het einde van elke dag komt er iemand vertellen dat hij vandaag niet komt, maar morgen zeker. Dus wachten ze weer. Dag in, dag uit. In dat lege decor is er niets waarmee ze in een aangenaam verpozen het wachten kunnen verzachten. Af en toe komt er iemand of iets langs wat tijdelijk voor afleiding zorgt, maar wat ze niet afbrengt van hun wachten. Ze verzinnen zelf ook van alles, zelfs een plan tot zelfmoord vanwege de zinloosheid die het wachten bij ze oproept. Maar niets wordt volbracht, ook de zelfmoord niet omdat de een de ander moet helpen en dat niet meer kan als er al eentje dood is. Dus wachten ze maar door. Er komt geen eind aan dat wachten.

Wat me het meeste trof terwijl dit verhaal zich op het doek voor mij afspeelde was dat in al die leegte – van het decor, van het verdrijven van en verwijlen in de tijd –, dat in al die leegte intussen, van moment tot moment, het leven van deze twee vrienden zich ontvouwde. In alles wat ze deden en niet deden, zeiden en niet zeiden, toonden en niet toonden. Maar zij leken zich er niet van bewust, want waren te zeer gefocust op hun wachten op meneer Godot. Die maar niet kwam. Van wie het niet eens duidelijk was of hij ooit wél zou komen, of zelfs maar bestond.

Zo herkenbaar….Denken dat er eerst iets moet gebeuren voordat je verder kunt. Dat het dan in orde komt. Daarop gaan wachten. En dan niet meemaken wat er zich intussen allemaal vlak onder je neus aan het afspelen is. Zo beschouwd is er nooit ‘lege tijd’, want er speelt zich altijd wel iets af. Maar (be)lééf ik dat ook, is die verbinding er? Het duidelijkst kan ik dat merken tijdens het mediteren. Twintig à vijfentwintig minuten zo stil mogelijk zitten en me concentreren op mijn adem, tellen of een woord. Mijn brein blijft daardoor niet lang geboeid. Dat dat ook de bedoeling is wil het maar al te graag vergeten. Dus gaat het op zoek naar afleiding; of gaat zitten wachten ‘tot het tijd is’. Dat laatste is het ergste, want dan voel je echt elk ongemakje in je lijf en kan de onrust tot grote hoogte stijgen. Duurt het nog langer. Blijven zitten lijkt zinloos.

En toch is dat het enige dat kan doen inzien dat het probleem niet zit in het ‘zitten’, maar in het ‘zitten wachten’. “Sit! Do not sit and wait, but sít!” kreeg ik eens te horen van een leraar. Het was niet leuk, maar hij had zó gelijk. Want zitten wachten tot het tijd is, of tot er ‘iets gebeurt’ – een mooi inzicht of eindelijk die verlichtingservaring bijvoorbeeld – beneemt het leven aan het leven dat zich van moment tot moment, in elke ademtocht, ontvouwt. Dat is wonderlijk genoeg voor iemand die al op haar tweede bijna te lang geen adem meer kreeg. Maar als je er bij stilstaat hoeveel er in één ademtocht in de wereld gebeurt: kinderen worden geboren, mensen gaan dood, er worden prijzen gewonnen en verliezen geleden, vrienden komen langs of blijven weg, er wordt eten klaargemaakt en honger geleden, er worden bomen gekapt en een bijna dode roos komt terug in bloei….Dat is toch méér dan wonderlijk genoeg om je het wachten te doen vergeten?

Sfeer

Gisteren liep ik met een Brabantse vriendin aan het einde van de middag het terrein op van de Abdij van Egmond. We hadden een strandwandeling gemaakt en kwamen er op de terugweg langs. Het was voor ons beiden nieuw en het imposante gebouw dat boven de bomen zichtbaar was lonkte.

Dat gebouw kom je niet zomaar in, maar de tuin en wat bijgebouwen zijn vrij toegankelijk. Het was er stil, zo laat in de middag waren er geen bezoekers meer. Uit de vlindertuin kwam een monnik, die ons vertelde dat we rustig konden rondkijken – het zou vanzelf duidelijk worden waar we niet mochten komen, want daar stonden bordjes. Niet dat dat altijd veel uitmaakte, voegde hij eraan toe; sommige mensen trekken zich er niets van aan en gaan toch ‘even kijken’. Soms zelfs tot in het gebouw zelf aan toe. Wij verbaasden ons met hem. En toch, toen ik een stuk verderop het eerste bordje ‘Verboden Toegang’ zag, merkte ik: “Oh ja, juist dat bordje Verboden Toegang maakt het ineens heel aantrekkelijk om daar ‘even te kijken’. Want wat valt er allemaal te zien, dat je daar niet mag komen?”

Ongetwijfeld niets bijzonders. Het is de impuls van de zintuigen die je naar het verboden gebied lokt, maar op uitsluitend zintuiglijk niveau valt er vermoedelijk – ik heb het niet gecheckt – niet veel uitzonderlijks waar te nemen. En daar gaat het ook niet om natuurlijk. Achter het bordje begint de spirituele leefwereld van de monniken. Die kent, en behoeft, een bepaalde sfeer, subtiel, zo puur zintuiglijk niet waar te nemen; maar onmiskenbaar aanwezig als je ‘innerlijk luistert en ziet’. Een sfeer die door eeuwenlang spiritueel leven op die plek is gegroeid, niet zonder meer uit te roeien is, maar door al te veel grofstoffelijke benadering wel barstjes kan krijgen. Zo’n sfeer die, als je er gevoelig voor bent,  je als vanzelf gedempt doet praten, ook al geloof je niet in heiligheid. Een sfeer die je in je eigen spirituele dimensie raakt, want die hebben we nu eenmaal allemaal, of we het weten of niet.

De eeuwenoudheid van de plek draagt veel bij aan die sfeer. Uberhaupt is het oud land, er woonden ver voor onze jaartelling al mensen in dit gebied. En meer dan duizend jaar geleden stond hier al een eerste klooster, leefden er al monniken. Lopen op deze grond betekent lopen in de voetstappen van mensen die hier duizenden jaren geleden al leefden. Ook hiervoor moet je een beetje gevoelig zijn, en niet te gefixeerd op je directe, letterlijke zintuiglijke indrukken; je moet je een beetje kunnen inleven, je bewustzijn wat verder vergroten om dat verleden te omvatten en ervoor open te staan. Struinend door de boomgaard met zijn dik 150 verschillende historische appelrassen gebeurt dat bijna vanzelf: een onvoorstelbare diversiteit ten opzichte van wat we nu op de markt of in de supermarkt aantreffen.

Zo samen hier met mijn vriendin in de kloostertuin op dit oerhollandse, oerplatte land – want oh, wat is het hier plat….! verzucht ze – gaan mijn gedachten als vanzelf terug naar het moment dat ik zo’n 26 jaar geleden een heuvel opliep, de tuin in van een toen mij nog onbekend zenklooster buiten Tokio. En ik op dezelfde manier werd geraakt door de sfeer op dat terrein, een sfeer die in een intense stilte zinderde van – naar later bleek –  800 jaar zenbeoefening.

Het is een sfeer die tijd en ruimte doet verdwijnen, die Tokio en Egmond-Binnen, de 10e eeuw en 21e eeuw hier nu voor mij samenbrengt. En daarmee een ervaring van verbondenheid teweeg brengt die de kostbaarheid van ons leven eens te meer voelbaar maakt, evenals het lijntje naar toekomstige generaties. Kunnen zij blijven lopen in onze voetstappen, zoals wij lopen in de voetstappen van hen die ons voorgingen?

Zoeken

Zoekend naar een onderwerp om over te schrijven vandaag valt me in dat het woord ‘zoeken’ zelf eigenlijk heel interessant is. Zo is het ‘zoeken naar een onderwerp’ niet echt een doelbewust zoeken, zoals met Google, in mijn brein, of in mijn boekenkast, of buiten, maar eerder een openstellen voor wat zich wil aandienen. Daar moet mijn brein zich juist niet al te zeer tegen aan bemoeien, anders krijgt die spontane ingeving de kans helemaal niet. Over dit fenomeen heb ik vaker geschreven.

Maar het woord ‘zoeken’ triggert meer vanochtend. De herinnering, bijvoorbeeld, aan de keren dat ik mensen heb horen zeggen, tegen mij of anderen: “blijf niet je hele leven zoeken”. Of: “Ik zoek niet meer, ik heb het al gevonden.” Wat is dat ‘het’ dan, waar gaat het om bij dat zoeken? Soms is het duidelijk: de zin van het leven. Soms niet zo, dan gaat het eerder om een vaag verlangen, of een gevoel van gemis, dat verder geen specifieke naam heeft. Erover praten heeft weinig zin, want dan ga je op rationeel niveau zitten analyseren wat op een heel ander niveau speelt. Wat zo onbewust is dat het helemaal geen namen of woorden kan krijgen. Misschien kun je het verbeelden, bijvoorbeeld met een tekening, foto, collage, of via klei; maar meestal komt er dan iets uit waarvan het nog gissen blijft wat het betekent. De drang om er duidelijkheid over te krijgen kan in elk geval groot zijn, en vertaalt zich in ‘zoeken’.

Dit ‘zoeken’ gaat er, zo lijkt het, vanuit dat ik iets mis, of verlang, en dus iets nodig heb om dat gemis op te lossen, dat verlangen te vervullen. Ik zoek dus om iets te vinden, net als met Google. Maar als je niet weet wat je zoekt, hoe kun je dan ooit vinden wat je zoekt? Of weten dat je hebt gevonden wat je zocht? Er zijn wel antwoorden te geven op deze vragen, maar daar gaat het nu niet zozeer om. De vragen zelf zijn interessanter als het om ‘zoeken’ gaat.

Het is een belangrijk thema in ons mensenleven. Dat blijkt dus al als we om ons heen kijken en luisteren. Het blijkt ook uit de wereldliteratuur waarin veel verhalen over zoekende helden te vinden zijn. De Odyssee van Homerus is er zo eentje. Maar ook De Alchemist van Coelho. Iedereen kent vast wel zo’n verhaal. Gisteravond las ik, als citaat, de volgende regels van T.S. Elliot:

“We shall not cease from exploration/And the end of all our exploring/Will be to arrive where we started/And know the place for the first time.”*

De regels raakten me, niet alleen omdat ze me direct aan Coelho’s Alchemist deden denken, of aan mijn eigen ontdekkingstocht door het leven. Nee, misschien eerder omdat ze me zo sterk deden beseffen hoe universeel het zoeken is. En omdat ze iets duidelijk maakten over dat zoeken. De regels hielpen om te zien dat het zoeken er niet zozeer om gaat dat ik iets zoek om een verlangen of gemis van mij te vervullen of op te lossen. Dat het veeleer gaat om het onderzoeken van het leven en wat mijn bijdrage daarin en daaraan kan zijn. Doorheen het leven verandert dat natuurlijk met de levensfasen waarin je verkeert. En dat vraagt telkens opnieuw kijken, alsof het nieuw is – nee, omdát het nieuw is. Opnieuw ‘zoeken’ dus. Waarbij ‘zoeken’ eerder ‘onderzoeken’ betekent.

Blijven zoeken in deze zin is helemaal niet zo verkeerd. Integendeel. En al helemaal niet zinloos.

*T.S. Elliot, Four Quartets, aangehaald in The Book of Householder Koans van Marko en Nakao. In mijn vertaling: We zullen niet aflaten van onderzoek/en het einde van ons exploreren/zal zijn te arriveren waar we startten/en de plek voor het eerst te kennen.

Wind

Het waait weer stevig. Vanochtend, terwijl we hier met zijn tweeën zaten te mediteren, was het geluid van de wind soms het enige dat er te horen viel. Onze adem ging er in op, werd één beweging met de wind. Dat gevoel, een opgenomen zijn in de wereld, stemt heel vredig.

Het is een gevoel dat ik herken, van vroeger. Eén herinnering eraan komt de laatste tijd veel terug. Ik was nog heel jong, we woonden aan wat toen de rand van Alkmaar was. Onze straat eindigde op een dijk – een hele oude dijk die eeuwenlang een rol heeft gespeeld in de waterhuishouding van de polders ten zuiden van de oude stad. Toen allemaal agrarisch gebied. Ook in mijn jonge jeugd dus nog: aan de andere kant van de dijk lagen weilanden. De boer woonde een paar minuten lopen bij ons vandaan op een flinke stolpboerderij. We gingen hem in het voorjaar wel eens vragen of we bloemen mochten plukken in zijn wei. Dat mocht meestal wel, tot kort voordat hij ging maaien – dan mocht het gras niet meer platgelopen worden.

Eén van die keren was een dag als gisteren: zonnig, blauwe luchten met van die witte vlagen bewolking, en een aangenaam briesje dat alles in beweging bracht maar ook in een soort stilte dompelde waarin het zoemen van insecten, fluiten van vogels en de brom van een enkele ver-wegge auto verdwenen. Ik zat op mijn hurken in het gras, plukte boter- en pinksterbloemen voor mijn moeder. Terwijl ik zo lekker bezig was, streek een windje door mijn haar, lichtte het een beetje op. In dat moment voelde ik me even helemaal opgenomen in gras, bloemen, lucht en wind. Vederlicht. En wonderschoon. Alsof ik even werd opgetild uit de zwaartekracht.

Het moment verwoei, de herinnering bleef, en komt zo af en toe weer terug. Gisteren was zo’n dag die dat triggert. Nu fietste ik door de weilanden, en voelde de flinke bries ten volle. Onderlangs het duin at ik op een bankje een broodje en voelde diezelfde bries veel zachter, net als toen. Hij omspeelde me, bracht verkoeling, lichtte mijn haar een beetje op. En voor de libelle was ze een stroom waarop ze haar vliegkunsten voluit kon vieren. Soms waren er even geen andere fietsers en bleef vooral het geluid van de wind in de weidsheid om me heen over. Een geluid dat de stilte nadert, hoorbaar maakt. Waarin het geluid van mijn denken kan verdwijnen.

Lang heb ik een hekel gehad aan de wind. Er tegenin moeten boksen, op de fiets naar school, over een landweggetje dat zich dan eindeloos voor me scheen uit te strekken. Die lange weg terug van ons schoolreisje op de fiets naar Tessel, in de 6e klas van de lagere school: op mijn inmiddels te kleine, rode kinderfiets vol tegen de wind in. Af en toe kwam de meester ons om de beurt even een stukje duwen als hij zag dat we het zwaar hadden. De storm om de hoge flat waar ik woonde in Amsterdam, waarin je beneden buiten bijna weggeblazen werd, en die me op 10-hoog een beetje zeeziek maakte omdat ze de flat lichtjes deed bewegen, zo sterk was ze. Haar guurheid in de herfst en de winter. Ik moest niets van haar hebben, van ‘de’ wind. En was blij dat ze in Brabant dikwijls minder hard leek te waaien.

Nu, terug aan de kust, voel ik hoe verfrissend ze kan zijn. Alles wegwaait, stof en muizenissen. De hitte minder heet maakt. En zich soms zo keihard manifesteert dat ik maar liever in mijn huisje blijf en toekijk hoe ze de wolken langs de hemel jaagt. Nee, ze is niet altijd dat vriendelijke briesje uit het weiland van mijn jeugd, waar ze me opnam in een groots geheel. Ze is ook niet altijd dat angstaanjagend loeien waarin ze alles uit de weg blaast. Ze is beweeglijk als het leven, ze doet bewegen en leven, en ze is te genieten als ik met haar kan meebewegen. Zelfs als ik haar tegen heb op de fiets.