Bloei

Als ik vanochtend de deur open maak om Snuitje buiten te laten, zie ik dat in het perkje tegenover mijn huis een vlinderstruik in bloei komt. Er staan er meerdere, deze is wat vroeger dan de andere, en roze van kleur. Wat er vooral aan opvalt is de enorme bloem. Wat een leven brengt die struik voort! Gewoon, zo maar. OK, ze is er op gekweekt, maar dat zegt nog niets. Ze moet het nog wel gaan doen. Het is in eerste instantie alleen maar een belofte. Een belofte die ze jarenlang kan gaan inlossen. In dit geval lukt het, in elk geval vandaag weer.

Ik heb zelf ook een vlinderstruik, meegenomen uit Brabant. Een laagblijvende, die ik medio juni heb uitgegraven en in een pot heb meegenomen. Samen met een roos. Tuinliefhebbers, ik weet het – juni is niet de tijd om struiken uit te graven. Beide planten laten het me ook weten, ze staan er al snel zieltogend bij. Veel aandacht en zorg doen de vlinderstruik zich herpakken; of de roos dat ook gaat doen ligt nog in haar gesnoeide takken besloten. Zorg en aandacht zijn niet altijd genoeg, er moet ook iets uit de plant zelf komen. Maar zoals een goede kennis, die kweker is, eens zei: de natuur heeft meer tijd dan wij. En ja, als je meegaat in die tijd, dan blijkt moeder natuur’s herstelkracht indrukwekkend. In de tussentijd moet ík op mijn handen blijven zitten.

De vlinderstruiken en de roos laten me iets zien over ‘leven’. Natuur is altijd een goede spiegel voor me geweest, en in deze fase – uitgegraven uit Brabant en weer neergepoot in Noord-Holland – is die spiegeling sterker, ben ik er ontvankelijker voor. Het ongeforceerde ‘als het mijn tijd is ga ik bloeien’ van de vlinderstruik sterkt me in het gevoel dat mijn bloeitijd ook zal aanbreken als de tijd daar is. Dat het uitgraven en verplaatsen misschien wat vertraging geeft, maar meer ook niet. Dat goede zorg en aandacht nodig is – blijven voeden, en misschien een beetje Bach – maar dat het verder vooral ‘hands-off’ is. Niet te veel aan prutsen, maar vertrouwen op de natuurlijke loop. Dus vooral géén doelen stellen, maar weten en vertrouwen op wat ik kan en zou willen doen. En dan héél goed blijven kijken. Zodat ik de momenten niet mis als ze zich aandienen.

En ze zijn er. Nu al. Er komen mensen met vragen die me laten zien hoe het zou kunnen gaan. Er zijn berichten in het nieuws die me laten zien waar mijn bijdrage zou kunnen liggen. Dat alles voedt en helpt vorm te geven aan wat nu nog redelijk vormloos in me ligt opgeslagen. Soms voel ik het ongeduld, net als bij het kijken naar mijn struiken – wil ik iets ‘doen’. Zo ben ik, net als vele anderen, ook wel geconditioneerd. Het is niet bepaald de ‘gewone weg’ om te gaan. Marsroutes en handboeken soldaat, of najagen van kinderdromen, zijn populairder. Dan weet je waar je mee bezig bent en wat je te doen staat. De zaken hun natuurlijke loop laten hebben – wat iets anders is dan ze op hun beloop laten – levert je uit aan een ‘niet-weten’ en mogelijk een gevoel van zinloosheid. Je kunt je hele leven druk zijn je daartegen te beschermen. Nog nooit zo’n sterk gevoel van zinloosheid gehad als wanneer ik dat probeerde.

De vraag naar de zin van het leven is me niet vreemd. Dat is mild uitgedrukt. Met dezelfde mildheid naar die vraag kijken helpt wel. En vanochtend toonde de eerste bloem in de vlinderstruik me in haar roze pracht hoe ik, vrij van doelen, die zin van en ín het leven eenvoudigweg kan ervaren.

Warmte

Gisteravond las ik op Facebook dat er op TV een documentaire werd herhaald over Boudewijn de Groot. Tijdens de uitzending zelf was ik met plantjes in de weer, en daar lokt zelfs Boudewijn me niet bij weg. Maar later op de avond heb ik hem alsnog gezien. Het was een prachtig portret. Van de man zelf, van zijn muzikale pad, van een leven dat al meer dan vijftig jaar om muziek draait. Een leven waarin hij zich – in elk geval muzikaal, maar vermoedelijk ook als mens – meerdere keren opnieuw heeft moeten uitvinden. Een leven gezien vanuit zijn eigen perspectief én dat van zijn naasten. Zijn vrouw, kinderen, broer en zus, zijn vrienden, die allen met warmte over hem spreken en de kritische beschouwing – juist daardoor? – niet schuwen. Twee rode draden in het verhaal dat zich ontvouwt zijn het laatste concert waarop hij zijn oude songs zingt, en de manier waarop hij aan zijn muziek werkt. Met zijn vrienden, en alleen. We kijken en luisteren met hem mee hoe een nieuw lied tot stand komt. Over zijn vader. Getiteld ‘Anamorfose’. Wat zoveel betekent als: alleen vanuit een bepaald perspectief krijg je een correct beeld van iets of iemand.

Het is een interessante verhaallijn in deze meer-perspectivische film. Boudewijn probeert een beeld te krijgen van wie zijn vader eigenlijk was en mede daardoor probeert de film een beeld te krijgen van wie Boudewijn eigenlijk is. Het lukt Boudewijn niet:

“het beeld verspringt
de stem vervormt
wat blijft is altijd weer het kader
sta niet verborgen
in de schaduw van de tijd
kom nader
aarzel niet kom nader

je was mijn vader”

En hoewel dit lied ook weer een licht werpt op de man Boudewijn de Groot, weet ik niet of ik aan het eind van de film (zelfs maar beter) weet wie hij is. Kan dat ooit? Ik denk het niet. Ook al vorm ik me tijdens het kijken een beeld van hem, het blijft een beeld. Een beeld van een bedachtzame, stille man die moeilijk te peilen is, volstrekt toegewijd aan en opgaand in de muziek; die vaak afstandelijk lijkt maar tegelijkertijd vanuit een diepere laag veel warmte uitstraalt. Vooral als zijn glimlach doorbreekt, op het moment dat iets lijkt in te zinken bij hem: een woord, een zin, een muzikale frase. Alsof hij het overweegt, proeft en herproeft en dan weet: het is goed zo. Een van zijn vrienden zegt ergens in de film: “er lijkt nog zoveel in hem verscholen te liggen dat er nog uit kan komen, dat ik denk: Kom nader, kom nog maar veel meer nader…”.

Zijn glimlach is zo’n anamorfose. Net als het beeld aan het einde van dat laatste concert met zijn oude repertoire, waarin hij op de klanken van Het Land van Maas en Waal dansend over het podium gaat. Niet bepaald de stijl die we van hem gewend zijn. De diepte van het menselijk hart is peilloos. Misschien is het ‘Kom nader’ nooit klaar. Maar in het moment van de danspas, een omarming of de glimlach is de warmte volledig voelbaar. Dan is er contact.

Vanochtend word ik ermee wakker. Zelfs in mijn eigen glimlach, nog voordat ik naar iets of iemand kijk, voel ik de warmte en het contact. De glimlach van de vrouw die ik onlangs heb ontmoet en die nu een keer per week bij me komt om samen te mediteren, legt én uit de verbinding. Als ze wegrijdt zie ik een vriendelijk ogende man die met een tablet foto’s maakt van ons gebouw. Hij komt nader. Zegt iets tegen mijn bovenbuurvrouw over onderzoek naar verduurzamen. Mijn hart maakt een sprongetje. Een andere buurvrouw vraagt “Wat gaat er gebeuren?” Het is de buurvrouw die het altijd koud heeft. Hij stelt haar glimlachend gerust. Ik knoop een praatje met hem aan en geniet van zijn enthousiasme en professionaliteit. Dat is ook warmte. Ik laat hem binnen rondkijken, waarmee zijn onderzoek vandaag verder geholpen wordt dan hij had verwacht. Als we afscheid nemen, op fysieke afstand maar met een glimlach, komt het onderwerp voor mijn blog van vandaag bij me op. Warmte. Dank je wel Boudewijn. Dank je wel Meneer de Onderzoeker. Voor even nader komen.

Geen zin

Hoe kom ik vandaag uit de startblokken met dit blog? Maandag blogdag begint anders dan normaal, omdat ik een vriendin heb beloofd iets voor haar te doen en dat heeft ze vanmiddag nodig. Dus dat komt vanochtend eerst aan de beurt. Een duidelijk, welomschreven klusje, wat ik na een weekend vol autorijden en ontmoetingen met vrienden zonder al te veel problemen kan klaren.

Maar vervolgens staart het blanco scherm mij aan, staar ik naar dat scherm en merk ik: oeps, ik weet het even niet, wat ga ik schrijven? Het weekend geeft veel mooie stof tot reflectie, maar dat is nog niet rijp voor schrijven. Eigenlijk sta ik niet in de schrijfstand en lijkt er van alles anders beter of leuker om nu te doen. Eigenlijk heb ik geen zin.

Juist dat ‘geen zin’ roept ineens van alles op. ‘Dan maak je maar zin’, de standaard-uitdrukking die ik vroeger te horen kreeg, komt niet eens als eerste boven. Ook niet de mildere variant die ik later eens van iemand hoorde: ‘Je kunt altijd zin maken’. Er is in deze fase van mijn leven geen enkele reden om iets te doen waar ik geen zin in heb, ik zou daar vrijelijk aan toe kunnen geven. Er zal niemand zijn die vraagt: waar blijf je nou met dat blog? De discipline van jarenlang avondstudie en zelfstandig ondernemerschap, gewoon doen wat je te doen hebt – ze is er. Maar ach, discipline, dat veronderstelt zo’n heilig moeten, daar kom je uiteindelijk ook niet mee uit.

Bij mij heeft discipline daarom een aantal jaren geleden plaats gemaakt voor toewijding, dat veel meer weergeeft dat ik doe wat ik doe omdat ik het wíl doen. En gá doen, ook al heb ik vandaag misschien niet zo’n zin. Toewijding kan er toe leiden dat ik even stilsta bij dat ‘geen zin’ en me realiseer dat er eerst iets anders moet gebeuren voordat ik aan mijn voorgenomen activiteit kan beginnen. Toewijding is dus wat minder rigide in de planning. Dat is soms spannend, maar vaker mogelijk dan je zou denken. Want als je eerst aandacht schenkt aan wat er innerlijk aan tegenwerking of –werping is wil het daarna gewoon beter vlotten. Die tegenwerping of –werking is helemaal geen beletsel voor je toewijding, die blijft wel overeind. Helpt je misschien juist om die tegenwerking of –werping beter het hoofd te bieden.

Toewijding – het is zo’n ouderwets woord. Maar als ik het noem in gesprekken met mensen raakt het vaak een snaar, merk ik. Toegewijd zijn aan wat je belangrijk vindt, en dus wilt, voelt anders dan gedisciplineerd doen wat je te doen hebt of vindt dat je moet doen. Ik heb regelmatig niet zo’n zin om te mediteren, maar het draagt in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van het leven – niet alleen het mijne, maar ook van anderen – en het is niet zo moeilijk om aan die kwaliteit toegewijd te zijn. Dan ga ik toch weer ‘zitten’.

Met het schrijven is het eigenlijk niet anders. Momenteel lees ik een boekje van Stephen King – ja, die thriller-auteur – met de titel ‘Over Leven en Schrijven’. Te leen van een vriendin. Net als de auteur die me vorig jaar met haar boekje over schrijven aan het schrijven kreeg zweert King bij de mantra: ‘een schrijver schrijft, moet schrijven, veel schrijven’ (en lezen voegt King toe). Als er iets uit zijn boekje blijkt is het wel zijn enorme toewijding aan dat schrijven, het proces en de kwaliteit van schrijven. Met discipline kom je er niet, dat blokkeert je geest eerder dan dat het vrij maakt. Wat ‘moet’ zet vast en kan dat oude autoriteitsconflict in je oproepen dat iedereen heeft. Je toewijding werpt dwars door alle blokkades heen het licht op wat werkelijk belangrijk voor je is en geeft daarmee een opening naar wat misschien mogelijk is.

Zoals daarstraks gebeurde met ‘geen zin’. Mijn toewijding aan het schrijven van dit blog wierp haar licht op die woorden en gaf me daarmee het onderwerp, de zinnen, en de zin, voor vandaag. Zo eenvoudig kan het dan ineens zijn.

Wennen

‘Wennen’  – het woord komt spontaan opzetten als titel voor dit blog vandaag. Als ik er vervolgens even bij stil sta, vind ik het eigenlijk een heel gek woord. Wennen, wat is dat eigenlijk, en waar komt dat vandaan? Ik begin met de betekenis, in mijn oude Van Dale, die in mijn nieuwe huis onder handbereik staat als ik aan tafel achter de laptop zit. ‘Gewoon raken/worden’, ‘tot een gewoonte maken’, ‘aarden, aanpassen’. So far, so good, dat raakt wel snaren.

Voor de herkomst van het woord moet ik naar Internet, want een etymologisch woordenboek heb ik niet. En maar goed ook. Want dankzij alle inspanningen in de afgelopen 20 jaar om (wetenschappelijke) kennis zonder barrières online beschikbaar te maken vind ik meerdere bronnen die me iets over de herkomst van het woord vertellen. Bijvoorbeeld Etymologiebank.nl die onder het lemma ‘Wennen – vertrouwd raken’ twaalf verschillende bronnen aanhaalt en nog verwijst naar meer.

Die herkomst blijkt vooral onzeker en omstreden… Zou ik één etymologisch woordenboek hebben, dan zou dat gemakkelijk ‘de’ autoriteit kunnen worden voor me. Juist door de veelvoud aan bronnen word ik me bewust dat meerdere verklaringen mogelijk lijken. Daar wordt het niet makkelijker van, maar wel interessanter. En vermoedelijk realistischer. Ik herinner me de vraag die ik begin jaren ’80 stelde toen ik, in het kader van mijn studie Engels, Gotisch, Oud- en Middel-Engels moest leren. Ik vroeg de docent hoe we konden weten hoe die oude talen werden uitgesproken en zich ontwikkelden. Het leidde tot een verontwaardigd antwoord in de trant van ‘wetenschappelijk vastgesteld’. Over aannames daarin werd niet gesproken. Onnodig te zeggen dat het antwoord mij niet bevredigde. En dat ik nu dus heel blij ben met de veelvoud en veelzijdigheid van de internet-bronnen, die ruimte laten voor meerdere interpretaties en daarmee voor een verrijking van mijn begrip van zo’n woord als ‘wennen’.

De link met ‘gewoon’ is er, maar omdat de herkomst van ‘gewoon’ omstreden is helpt dat niet echt. Een artikeltje over een briefwisseling tussen twee 19-eeuwse geleerden over de oorsprong van het woord brengt de gortdroge wetenschappelijke opsomming smakelijk tot leven, ook al kwamen ze er niet uit.

Er wordt ook een verband gelegd met ‘wonen’. Ook dat woord kent meerdere interpretaties qua oorsprong, zoals ‘zich voeden, zich onderhouden’, ‘verblijven binnen een omheinde ruimte’, maar ook: ‘zich verheugen, behagen scheppen’. Wonen zou in die interpretatie de betekenis hebben ‘zich verheugen ergens te zijn, dus: daar blijven’. ‘Gewoonte’ is dan eigenlijk iets wat je graag doet, en wennen: graag doen.

Hmmm. Er zit in deze interpretatie van ‘wennen’ dus een duidelijke positieve component. Dat iets ‘gewoon’ wordt betekent dan niet alleen dat je het goed kent, maar dat het je ook vreugde geeft. Dat zit ook in dat ‘aarden’ uit Van Dale. Is of komt die vreugde er niet, valt het niet in goede aarde, dan raak je niet gewend. Dat biedt wel een aardig kijkje op mijn ervaring met enkele plekken waar ik in mijn leven heb verbleven. En het laat ook zien dat wennen niet per definitie een kwestie is van tijd. Dat de uitspraak ‘Het went wel’ een miskenning kan betekenen van een ervaren mismatch tussen waar je verblijft en wat je vreugde schenkt.

Het etymologische uitstapje geeft een draai aan dit blog die ik niet vermoedde toen ik de titel spontaan opschreef. Maar die er wel een mooi licht op doet schijnen. Mijn vertrekpunt vandaag lag bij mijn vier-daagse uitstapje, een goede week geleden, terug naar Brabant omdat ik daar nog dingen te doen had. Zowel in mijn oude huis als in mijn oude zendo. Het waren vier prachtige dagen waarin vertrouwdheid en vreugde de boventoon voerden. Niet zo vreemd in relatie tot mijn oude huis, waar ik nog maar drie weken weg was. Wel bijzonder in relatie tot mijn oude zendo, waar ik een half jaar niet was geweest, en die al anderhalf jaar niet meer ‘van mij’ is. Toen ik binnenstapte, op ‘mijn’ matje ging zitten, voelde het alsof ik daar de dag tevoren voor het laatst had gezeten. Ik was verwonderd en genoot. Heel mooi om te ervaren dat er op een bepaald niveau niets was gestopt, alles ‘gewoon’ door bleek te gaan, al was het in een andere fase. En waren sommige uiterlijkheden wel wat veranderd.

Toen ik terugkwam in mijn nieuwe huis voelde dat wat onwennig. Alsof mijn ‘wennen’ hier een beetje onderbroken was, opnieuw moest beginnen, de ‘gewendheid’ van het oude het nieuwe wat in de weg zat. Er zat een zekere spanning tussen die twee gewenningen, alsof er gekozen moest worden. Terwijl ik me tijdens het uitstapje in Brabant al had gerealiseerd hoe mooi het is om op twee plekken in Nederland volledig thuis en vertrouwd te zijn. Er hoeft juist niet te worden gekozen.

Het wennen gaat voort, en misschien daarom wil een duidelijke conclusie of logisch einde aan dit blog zich vandaag niet aandienen. Er valt meer aan ‘wennen’ te ont-dekken. Mijn etymologische uitstapje wijst wel in een richting, de richting van de vreugde, het behagen scheppen, het graag doen. Het roept een nieuwe vraag op: waar gaat het om bij vreugde? Waarin is die te vinden? Twee antwoorden dienen zich direct aan. Vrienden. En doen wat ik graag doe. Blog schrijven hoort daar in elk geval bij.

Hernieuwen

Een zonnige maandagochtend. Ik kijk door het raam van mijn nieuwe huis naar buiten, en een campanula kijkt mij terug aan. Fier steekt haar topbloem uit boven het hoofd van de Boeddha. Ze is zelf ook Boeddha. Ze stemt me vrolijk zoals ze daar zachtjes in de wind staat te wiegen. Vanachter mijn tafel kan ik niet zien of ze in een van de plantpotten staat, die ik van mijn vorige huis heb meegenomen, of in de volle grond. Want tot mijn plezier bleek er hier, in dit kleine stripje grond voor mijn woonkamer dat ik als mijn tuin kan bestempelen, ook al een aantal te staan. Het doet er niet toe, het is mooi om te zien hoe bestaand en nieuw gewas zich naadloos mengen. Brabant voegt in in Noord-Holland. Goeie kans trouwens dat ze al Noord-Hollands was – in 2011 moest ik de volkstuin van mijn moeder ‘wegdoen’ en heb ik heel veel planten meegenomen naar mijn Brabantse tuin. Een deel daarvan heeft zich indertijd uitgezaaid in de potten die ik nu weer hier mee naar toe genomen heb. Noord-Holland gaat naar Brabant, en komt weer terug, in een hernieuwde setting. Net als ik.

“Ben je al een beetje gewend?” vroegen twee buurvrouwen me gisteren. Dat is een goede vraag. Het begint te komen, merk ik. Maar het speelt op verschillende niveaus. Want in de basis voelt het heel vertrouwd, natuurlijk. In dit gebied groeide ik op. Ik voel en ruik de zee in de wind, herken het ‘heeuu’ waarmee ik tijdens mijn fietstochtje wordt begroet, hoor weer meeuwen in de lucht en rijd op weg naar de zendo deels de oude route naar mijn middelbare school.

Maar op de lagen erboven is alles anders. Uit de dozen verschijnen mijn vertrouwde spullen en landen allemaal op een nieuwe plek. Vaak moet het nog een keer verschoven. En vervolgens ben ik dan ineens iets kwijt waarvan ik bloedzeker ben dat ik het dáár had neergelegd. De indeling van het huis is anders. Ik heb geen stappenteller maar ik loop elke dag vele meters extra omdat mijn dagelijkse routine totaal in de war is. Zelfs bij het klaarmaken van mijn ontbijt moet ik bewust stilstaan en loop ik overbodig veel heen en weer. Op dit niveau voel ik me ‘uit mijn doen’. Ben ik nog niet geland.

Het is heel grappig om dit op te merken, en me weer te realiseren hoe ontzettend veel er normaal gesproken volledig op de automatische piloot gaat. En hoezeer dat bijdraagt aan me vertrouwd voelen in mijn omgeving. Misschien dat verhuizen daarom één van de meest stressvolle levensgebeurtenissen wordt genoemd; je leven gaat letterlijk en figuurlijk overhoop. Het blijkt eigenlijk heel moeilijk om écht bewust bezig te zijn met het soort simpele dingen als ontbijt klaarmaken of het afval wegdoen (“waar gaat het papier ook al weer naar toe nu?”). Alles wordt in feite weer helemaal nieuw, alsof je het voor de eerste keer doet. De ultieme zen-oefening. In het zen-klooster verhuizen de monniken regelmatig naar een andere kamer. Vermoedelijk juist om dit effect: niet té vast komen zitten in je routines, bewust blijven van waar je bent en wat je doet.

Het voordeel van dit hernieuwen is juist dat ik helemaal kan opgaan in wat ik doe en niet verdwijn in allerlei gedachten over andere zaken waar ik op dat moment niets mee kan. Dat ‘opgaan in’ is dus iets heel anders dan ‘op de automatische piloot’. Opgaan in betekent volledig bewust doen wat je aan het doen bent. Dat voelt alsof het helemaal nieuw is én het geeft ontzettend veel voldoening. En paradoxaal genoeg draagt het ook bij aan me thuis voelen. Thuis temidden van het hernieuwen.

De campanula wiegt in de wind, mijn kat maakt geluidjes in haar diepe slaap. Schoolkinderen fietsen voorbij op weg naar de gymzaal, kwetterend als spreeuwen. Tijd verglijdt en hernieuwt zich elk moment. Daarin is alles op zijn plek.

Waarom doe ik dit?

‘Thinking out of the box’. Die aansporing krijgen we vaak als iemand vindt dat er iets veranderd moet worden. Vandaag helpt hij me om mijn aandacht weer naar dit blog te brengen, ‘uit’ de dozen waar ik nu een paar weken mee en tussen leef. Verhuizen is maar een rare aangelegenheid, realiseerde ik me deze keer heel sterk. Je woont ergens; dan pak je ineens je hebben en houwen in dozen, laad ze in een auto, laad ze weer uit op een andere plek en pakt ze weer uit. En dan woon je daar verder. Met enige distantie bekeken is het eigenlijk bizar. “Waarom doe ik dit?” is dus wel een paar keer langs gekomen de afgelopen tijd.

Die vraag is geen retorische, die geen antwoord hoeft te krijgen. Het is ook geen vraag naar een rationeel antwoord. Noch een wanhoops-vraag omdat de situatie me teveel zou zijn geworden. Het is een vraag die speelt op een niveau van dieper ervaren. Want ergens weet ik dat ik overal kan wonen, leven en werken. Overal weet ik me verbonden met wie me dierbaar en lief is, en van overal kan ik ze bezoeken. En toch. Ga ik terug. Naar de kust.

Dat het samen leven met vrienden op de anti-kraak boerderij in Brabant tijdelijk was wisten we toen we er bijna zes jaar geleden gingen wonen. Hoe tijdelijk wisten we niet. Het werd veel langer dan we ooit hadden kunnen vermoeden; en nog is het daar niet ten einde, al komt dat nu wel in zicht. Ik had in elk geval nog niet weg gehoeven. Had kunnen blijven tot het einde, in het vertrouwen dat zich wel weer iets zou aandienen. Er was sowieso een andere optie: weer een tijd in het zenklooster gaan wonen, in Drenthe op De Noorder Poort. Want het zenleven in het klooster heeft ook zijn aantrekkingskracht, voel ik al jaren. En het zou, in deze herbezinningsfase van mijn leven na mijn vertrek bij Zen.nl, een hele logische en goede keuze kunnen zijn.

En toch. Ga ik terug. Naar de kust.

Toen het idee om alvast zenles te gaan geven in Alkmaar zich aandiende, was er geen spoor van twijfel. Toen een paar weken later dit huisje zich aandiende was er ook geen spoor van twijfel. Dit ga ik doen. Dat de wens er was om terug te gaan naar mijn geboortegrond hielp; maar die wens had ook over een paar jaar in vervulling kunnen gaan. Ik heb geen romantische ideeën of gevoelens dat het leven hier beter is dan in Brabant of Drenthe. Dit huisje is niet inherent beter of slechter dan de boerderij, mijn vorige eigen huizen of het zenklooster. Als ik van alles de plussen en minnen naast elkaar zet zijn de lijstjes ongetwijfeld even lang. Deze keuze is niet inherent beter dan een keuze voor het zenklooster, al heeft die andere plussen en minnen – zowel voor mijzelf als voor de mensen die op een of andere manier, meer of minder intensief, in mijn leven betrokken zijn.

En toch.

Als ik dit zo allemaal op een rijtje zet voel ik de verwondering over de draai die mijn leven gemaakt heeft, de afgelopen paar jaar. Daar geniet ik enorm van, ook al is het erg roerig. De loop van mijn leven volgen, in het vertrouwen dat het me brengt waar ik moet zijn – daar zit een natuurlijkheid in waarin ik het gevoel heb het beste tot mijn recht te komen, ook jegens de mensen in mijn omgeving. Dan voel ik me ‘thuis’ in mijn, in het, leven. Ook al kan ik het verstandelijk niet echt beredeneren, vraagt het moeilijke keuzes en heb ik geen idee wat het gaat brengen. In dit alles is er wel altijd mijn kompas: mijn ikigai* – vriendschap. Die kan altijd, overal, helpen, maar is onmisbaar op onbekend terrein.

Dit laatste stukje lijkt de vraag “waarom doe ik dit?” overbodig te maken. En toch. Hij doet zich voor en niet voor niets. Wat de vraag doet, als ik niet in de valkuil stap een rationeel antwoord te zoeken, is me zetten in een grotere openheid naar alles wat zich aandient, in en rondom mij. Hij houdt me in contact met wat er te zien, voelen en ervaren is en maakt het leven rijker – vooral in de kleine dingen, en niet alleen voor mezelf. Dan is niets meer vanzelfsprekend. Het is dus eigenlijk niet zozeer een vraag die over twijfel gaat, maar eerder een ‘wake-up call’: hallo Lilian, zit je op je automatische piloot of ben je erbij?

Zo reed ik gistermiddag op ‘mijn’ fiets (de tweede die ik in mijn leven overgenomen heb van mijn moeder) hier in de nabije omgeving rond, op verkenningstocht in een gebied dat ik wel én niet ken. Het is me vertrouwd én ik zie het met nieuwe ogen. Overheersend was een gevoel van dankbaarheid. Dat ik in deze tijd van het jaar hier mag landen, na een lang koud voorjaar, waardoor de natuur nu, later dan normaal, volop tot bloei komt en ze mij zo inspireert. De natuurlijke schaduw van de bomen en de wind waarin de zee te ruiken en voelen is, die het fietsen in de zon aangenaam maken. De fiets die weer lekker rijdt na een grondige opknapbeurt bij de fietsenmaker om de hoek. De stemmen van de paar mensen die ik even spreek waarin het vertrouwde Noord-Hollandse accent doorklinkt, licht nasaal en wat zangerig, met een klankvolle g en een rollende r. Vervolgens afstappen in het volgende dorp bij mijn lieve oud-tante Gien die over een maand 101 wordt, nog steeds in haar eigen huis woont, en waar ik nu gewoon in een kwartiertje naar toe kan fietsen om een bakkie mee te doen. Het oplichten van haar ogen vertelt me waarom dat belangrijk is.

Op weg terug naar huis, warm van het bezoekje in de frisse vroege-avondwind, langs het stille holle wegje met zijn doorkijkjes naar de weilanden, kom ik bij elke trap op de pedalen “thuis”. Vraag me niet waarom. Maar. Dit. Is. Waarom. Ik. Dit. Doe.

*ikigai is een japans begrip dat we niet echt kunnen vertalen, maar zoveel betekent als dat wat je ten diepste drijft in wat je doet, waar je je bed voor uit komt, dat waardoor je geïnspireerd je leven kunt leiden.

Aandacht en focus

Veertien dagen klussen in mijn nieuwe appartement in Noord-Holland; twee weken geen blog. Niet eerder heb ik het verschil tussen aandacht en focus zelf zó helder ervaren. En ben ik zo blij geweest met mijn vermogen om beide te hebben.

Als zenleraar heb ik regelmatig mensen horen zeggen dat ze graag wilden leren meer gefocust te zijn. Als je het gevoel hebt dat je aandacht alle kanten op dwarrelt kan ik me die wens wel voorstellen. Maar ik ken ook mensen – en mezelf ook in die modus – die veel focus hebben, en dat is geen zegen. Het is dan namelijk met de aandacht niet persé goed gesteld, met alle nadelige consequenties van dien.

Ik zag het verschil tussen aandacht en focus jaren geleden eens duidelijk gedemonstreerd in de praktijk: op de snelweg. Ik voegde in van de ene snelweg op de andere. Ik reed op de linkerbaan van ‘mijn’ snelweg, rechts van mij waren drie banen. Het was in de spits en dus druk; voor, achter en rechts van mij lange stromen auto’s en vrachtwagens, met weinig ruimte om in of uit te voegen. En veel auto’s die dat wilden. Ik hield het verkeer voor, achter en opzij van me in de gaten, op zoek naar een mogelijkheid om verder naar rechts in te voegen. Die zag ik op enige afstand voor me aankomen en daar koerste ik op aan. Achter mij zat een auto, bijna op mijn bumper, te duwen. Afgezien van het feit dat ik naast een vrachtwagen zat en dus niet uit zijn weg kon, was zijn geduw ook zinloos omdat er vóór mij weinig ruimte was om op te schieten. Zodra ik naar rechts kon deed ik dat, mijn achterligger gaf vol gas, stoof me voorbij en moest 10 meter verderop weer vol in de remmen voor de volgende voorligger. Onnodig te zeggen dat hij ook daarbij weer ging bumperkleven.

Ik realiseerde me dat mijn aandacht voor alle wegen en verkeer om me heen maakte dat ik kon zien wat ik wel en niet kon doen. Dat is het kenmerk van aandacht: het registreert heel veel signalen in je omgeving waardoor je weet waar je wel of niet naar toe kunt, wat je wel of niet wilt, kunt of moet doen. Dan ben je bijvoorbeeld op tijd met remmen, omdat je ziet dat er enkele auto’s voor je geremd wordt. Ben ik alleen gefocust op de (bumper van de) auto voor me, dan verlies ik dat overzicht, zie ik de mogelijkheden en beperkingen niet, en word ik een risico of een last voor mijn omgeving. Want die moet dan extra zijn best gaan doen. Dat werkt natuurlijk niet alleen zo in de auto, maar met alles. Met kinderen, met ouders, in de supermarkt, als je aan het klussen bent. Aandacht is ruim, blijft omgevingssignalen oppikken; focus sluit ze uit, vernauwt.

Dat uitsluiten kan heel handig zijn, als ik met iets bezig ben wat al mijn aandacht nodig heeft en afleiding leidt tot fouten, geknoei of onnodig gedraal. Focus heeft dus zeker een functie, in bepaalde omstandigheden. Zeker niet altijd. Ook als je intensief met iets bezig bent moet je kunnen blijven opmerken dat je kind geen gevaarlijke toeren uithaalt achter je rug. Dan is complete focus dus niet handig, of gewenst. Dat lijkt misschien niet efficiënt, het is wél effectief. Want die effectiviteit gaat over de héle situatie, inclusief je kind. Merk je de gevaarlijke toeren achter je rug niet op door je focus, dan heb je vervolgens meer werk om de gevolgen ervan te herstellen. Dat is noch effectief, noch efficiënt. Je hebt in zo’n situatie meer aan aandacht die op tijd waarschuwt, en waarbinnen je je kunt richten op wat er nodig is.

De afgelopen twee weken had ik meer focus dan aandacht. Focus op wat er allemaal gedaan moest worden, focus op het plamuur-, schuur-, behang- of sauswerk dat ik op dat moment onder handen had. Even geen aandacht voor de vriendinnen die binnenkwamen op het moment dat ik met mijn gekleurde muurverf een randje langs helder wit stucwerk aan het afschilderen was. Weinig benul van of aandacht voor wat er in de wereld om me heen gebeurde. En geen ruimte in mijn hoofd voor blogposts. Goed voor het klussen, minder voor mijn relaties.

Gelukkig keert het vanzelf weer terug naar aandacht. Want ook al ben ik blij dat ik zo’n focus kan hebben als het nodig is, ik ervaar het leven met die ruime aandacht toch als rijker.

MAAN-dag

Moe en heel voldaan
zie ik na een dag klus-zen
plots de volle maan.
Helder, bijna vol
reflecteert ze volmaaktheid
deze dag voltooid.
Wat meer te zeggen
onder dat heldere licht?
Er rest slechts kijken.

PS

De avond erna
wees ze me de weg naar huis
verlichting compleet.

Inspiratie

INSPIRATIE

Daar zit ik dan. Voor een blanco pagina op mijn scherm, en zonder enige inspiratie voor mijn wekelijkse blog. Ik heb me de afgelopen dagen helemaal leeg geschreven, zo lijkt het, op een visie-stuk voor een energietransitie-project in Den Haag. Daar ben ik in de loop van vorig jaar bij betrokken geraakt. Hele andere materie dan ‘eenvoud’, ook niet zo eenvoudig omdat het vrij nieuw is voor me. Wel mega interessant en heel belangrijk. Het is een voorrecht om betrokken te zijn bij iets wat voor onze toekomst zo cruciaal is.

Het was of oude tijden herleefden: mezelf een paar dagen achter elkaar opsluiten met mijn laptop en van ’s ochtends tot ’s avonds schrijven. Er even af voor een kop koffie of thee, een broodje, een aai voor de kat, of staren uit het raam om mijn ogen rust te gunnen. Verder alleen maar schrijven. ‘Meelezers’ leverden commentaar, en dan weer schrijven – peuteren aan de tekst. Ik had het jaren niet meer zo gedaan.

Het was verrassend hoe gemakkelijk ik in die modus terugkwam. En hoeveel makkelijker het schrijven zelf me afging. Hierin voelde ik dat de ervaring met het schrijven van mijn blog echt een verandering teweeg heeft gebracht. Gaan zitten voor  het scherm, vingers op de toetsen en beginnen. Niet te veel nadenken over de zinnen, maar vertrouwen op wat zich van diep van binnen aandient. Mijn onderbewuste is veel slimmer dan ik geneigd ben te denken. Het is zeker ook beter in associëren – en dat kwam nu goed van pas. Energietransitie is pure innovatie; ik ben dan wel niet zo thuis op het terrein van energie, met innovatie heb ik wèl een schat aan ervaring. Energietransitie gaat voor een belangrijk deel over decentraliseren en digitaliseren, en ook daar ben ik goed in thuis. En dat alles borrelde de afgelopen dagen gewoon weer boven en verbond zich met dit nieuwe terrein waar het dan niet meer over manuscripten, boeken, tijdschriften, dissertaties, onderzoeksdata of wetenschappelijke publicatiestromen gaat, maar over slimme meters, zonnepanelen, laadpalen, buurtbatterijen en energiestromen. En toch ook, vooral, over data. Over  hoe alles zich met alles verbindt in de digitale wereld, hoe mooi dat kan zijn maar ook: hoe ontregelend. Al schrijvend voelde ik me beetje bij beetje thuiskomen. Inhoudelijk is het wel nieuw, maar de vraagstukken die er spelen voelen heel vertrouwd.

Mijn meelezers waren wèl deskundig; en zeer constructief in hun feedback. Dat gaf een soort veilige context waarover ik me verder niet druk hoefde maken – ik kon me geheel wijden aan mijn taak. Het was een plezier om zo samen te werken. Allemaal digitaal natuurlijk. Gelukkig is díe innovatie inmiddels voldoende geland om zo samen werken, en samenwerken, op afstand goed mogelijk te maken. Hoewel ik die transitie bewust heb meegemaakt in mijn werk, vind ik het me nu moeilijk voor te stellen hoe het was toen alles alleen nog via telefoon en e-mail kon en we elkaar nog niet online in de ogen konden kijken. Het maakt een wereld van verschil.

Zo voltrekt zich in mij ook een innovatie. Na acht jaar alleen zenlessen geven en meditatiecentra leiden kom ik in zekere zin weer terug op mijn oude ‘stiel’, maar op totaal ander terrein. Mijn opdrachtgever is sterk in metaforen en zou direct de connectie tussen mijn zen-energie en het energietransitie-project herkennen. Die energie is er volop, blijft mijn ‘zen-thuis’ voeden maar wordt nu ook aangewend voor andere projecten – zoals overtollige opgewekte energie in een huis of buurt kan worden aangewend om een naburige woning of buurt te voeden. En het werkt in beide gevallen twee kanten uit: wat door mij of door mijn huis wordt gevoed, kan op zijn beurt mij of mijn huis weer voeden. Zo heeft het de afgelopen dagen ook gewerkt: er is veel van mijn energie in het stuk gaan zitten, maar er is ook veel energie teruggekomen. De balans is goed. En dan kan het ‘lang aan’, zoals ze in Noord-Holland zeggen.

Nooit te oud om te leren, luidt een oude wijsheid. Zelfs nooit te oud om te innoveren, leer ik nu. Ook mijn schrijven is geïnnoveerd. Van angst voor de witte pagina – de zgn. ‘writer’s block’ – naar vertrouwen dat er wel wat komt. Van hard nadenken over wat ik ga zeggen naar ‘vingers op de toetsen en schrijven maar’. Die tips vond ik bij andere schrijvers; net als de voor de hand liggende maar o zo wezenlijke uitspraak: schrijvers zijn schrijvers omdat ze schrijven. Kortom: je moet het gewoon doen, elke dag opnieuw. Dan wordt het een goede gewoonte en kost het veel minder moeite. Het lijkt wel zen….

Het werkt. Ik begon dit blog met zonder inspiratie. Ik zette mijn vingers op de toetsen en begon te schrijven. Er kwam van alles boven. Nu is er deze blogpost. Spontaan, moeiteloos. Niet óver eenvoud, maar wel vanuit natuurlijke eenvoud geschreven. En ook nog eens keurig op tijd klaar. Daar ga ik dan maar eens een lekker kopje koffie op drinken.

Van noodzaak, nut en waarde

Het is het eerste klusweekend in mijn nieuwe appartementje. Na bijna 24 jaar in Brabant ga ik “terug naar de kust”, naar mijn geboortegrond. Terug ook naar een huurhuisje, na meer dan vijfentwintig jaar eigen huizen en ruim vijf jaar anti-kraak wonen. In een eigen huis ben je overal zelf verantwoordelijk voor, dus je zorgt er goed voor, doet wat nodig, nuttig en waardevol is om te doen. In een anti-kraakpand pas je op het pand, en klus je alleen het hoognodige –  je weet immers niet of je er drie maanden of drie jaar in zult zitten.

Een huurhuis zit er een beetje tussenin: het is niet van jou, maar de langere tijd dat je er zult zitten maakt wel dat je het naar je zin wilt hebben. De afbakening met de verhuurder in wat gedaan kan en mag worden vergt nu weer wat aanpassing van me. De keuken wordt pas gemoderniseerd als hij technisch wordt afgekeurd bijvoorbeeld. Zelf het keukenblokje vervangen zou kunnen, maar een perilex-aansluiting aanleggen om van het gas af te gaan mag niet zo maar. Dat laatste is voor mij van groter waarde dan een modern keukenblokje, dus het blijft wat het is totdat het nut of de noodzaak van vervanging voor de verhuurder groot genoeg is geworden om die klus aan te pakken.

Muren sauzen gaat wel gebeuren. En niet over het overal loslatende behang heen. Het afsteken van het behang is me de moeite waard om het naar mijn zin te maken. Mijn goede vriendin Joke, met wie ik in Alkmaar ben opgegroeid, kwam me een middag helpen. Heel waardevol om samen met haar een paar uurtjes bezig te zijn om dit huurhuisje tot mijn huisje te maken. Ondertussen praatten we bij. Nut, noodzaak en waarde van de corona-maatregelen kwamen uiteraard langs, evenals de perikelen rond A-Z, want daarmee worden we beiden als 60-plusser geprikt. We bleken allebei te hebben bedacht dat het nuttig en waardevol zou zijn het verband te onderzoeken tussen pilgebruik, Astra-Zenica-vaccinatie en vrouwen in de vruchtbare en menopauze-leeftijd. Hopelijk komen de deskundigen ook op dat idee, zeker nu het bij het Janssen-vaccin ook speelt. Oorzaak-gevolg-relaties zijn immers altijd veel complexer dan hyperfocus toelaat.

Ook hebben we het over wat mijn ‘terug-naar-de-kust-verhuis’ voor mij betekent. Nog zo’n complex geheel, van diepe verlangens die al zo lang in mij huizen dat ik de oorsprong ervan niet kan vinden, en waarvan ik me ook niet altijd bewust ben. Niet al die verlangens hebben woorden, het gaat soms meer om alleen maar een gevoel. Of een sfeer. Van hoe de zeelucht ruikt. Van uren langs het strand met het geluid van de brekende golven als het ritme waarop ik loop. Een muzikaal gevoel? Spiritueel? Een geluid dat al het andere uitwist, zoals het zeewater mijn voetstappen. Een gevoel van nabijheid bij mijn naaste familie en oudste vrienden. Een gevoel van vertrouwdheid, (bloed)band, geworteld zijn op deze gemengde gronden van oude zandruggen en aan de zee onttrokken kleipolders. Een zee aan herinneringen die ik voel opkomen en terugtrekken als het tij dat trekt aan mijn voeten die stevig staan in de bewegende bodem. Een gevoel van thuiskomen.

Dit alles lijkt zich samen te ballen in een thema dat nu weerkeert, dat de laatste jaren vaker is langsgekomen: dat ik eíndelijk míjn leven kan, mag leiden. Dat klinkt alsof ik dat nooit gedaan heb, en dat is natuurlijk niet zo. Ik kan en doe niet anders dan míjn leven leiden. De belangrijke keuzes die ik in mijn leven gemaakt heb, inclusief de keuze die me naar Brabant bracht, waren bewuste keuzes. En van daaruit leefde ik mijn leven. Waarbij niets van al die gevoelens die ik net beschreef ooit echt is weggeweest, al die 24 jaar dat ik in Brabant woonde. Maar ze waren de onderstroom geworden, lijkt het nu. Een tegengestelde trekkracht van verlangen, in plaats van een gevoelsstroom waarin ik kon meebewegen.

Ook als mijn vriendin terug is naar haar huis, suddert dit alles in me door. Wat is dat toch, dat ‘míjn leven’? Erover nadenken doe ik niet, het pruttelt een beetje op de achtergrond terwijl mijn aandacht bij het afsteken van behang is. En zoals altijd als ik een vraag aan mijn onderbewuste overlaat, borrelen er gedachten op die ik met bewust nadenken niet krijg. Nu is dat: ‘míjn leven’, dat gaat over de vraag of ik leef vanuit de gedachte dat wat ik doe nodig of nuttig moet zijn, of dat het waardevol is. ‘Míjn leven’ houdt in: vanuit mijn waarden leven. Dat kan ook nuttig of nodig zijn. Maar de waarden staan voorop. Dat is niet altijd zo geweest, en het staat dikwijls haaks op wat er in de maatschappij om me heen gebeurt dan wel de norm is. ‘What’s in it for me’, wat levert het me op, wat heb ik er aan – dat zijn de veel-gestelde vragen. Die gaan over het ‘nut’ – een economisch principe. Dat is zo overheersend geworden dat je bijna zou vergeten dat het in het leven om meer gaat dan economie en nut. De vraag naar ‘waarde’ gaat om wat hetgeen ik doe toevoegt aan de wereld, aan het leven, niet om mijn behoeftebevrediging. Het is de vraag naar betekenis. Richt je je daarop, dan kan dat voelen als tegen de maatschappelijke stroom in roeien. In de culturele sector weten ze dat als geen ander. Als zenleraar word ik er net zo hard mee geconfronteerd.

Míjn leven leiden betekent me in de stroom van het waarden-georiënteerd leven blijven begeven, ongehinderd door de maatschappelijke norm, en zonder mijn waarden als norm aan de maatschappij te stellen. Dat voelt als thuiskomen.