Onze natuur

De afgelopen week ben ik weer regelmatig in de tuin aan het werk geweest. In mijn nieuwe postzegeltuintje vóór, dat steeds meer vorm begint te krijgen. Waar de in maart aangeplante vuurdoorns hun eerste bloemtrosjes voorzichtig laten zien, klein nog, maar al wel veel. Die onbekende plant die er al stond haar geheim prijsgeeft in haar eerste bloem. Waar de koppen van de tulpen steeds groter opbollen, als omgekeerde rokken, en ze bijna decadent de wind trotseren totdat, ineens, het eerste blaadje afvalt. En het volgende. En dan plots de kale stamper met de meeldraden in volle glorie zichtbaar is. Om van de roos, die de verhuizing in de pot ternauwernood overleefde maar niet te spreken: ze komt nu in de volle grond met haar ene overgebleven hoofdtak weer prachtig in blad. Sterke meid, die redt het wel.

Zoals vaak raakt dat natuurleven in mijn tuin me als prachtige symboliek voor het menselijk leven. Of eigenlijk meer dan symboliek: als parallel. Ook ik voel me elk voorjaar letterlijk weer opbloeien, na de donkere eerste maanden van het jaar. Mijn energie en creativiteit nemen merkbaar toe, alsof ze met de sapstroom in de planten en bomen mee omhoog komen. De een wat korter dan de ander, maar alles komt na de winterrust weer tot leven en sterft weer af om plaats te maken voor nieuwe groei en bloei. Het deed me er deze week bij stilstaan hoe vreemd het eigenlijk is dat we geen lange vakantie hebben in de winter in plaats van in de zomer; zo leven we dus dwars tegen die natuurlijke beweging in. De wintertrek van mensen naar het zuiden weerspiegelt die van de vogels. Zelf houd ik meer van winterslaap, lekker in mijn warme huiselijke hol. Die langere kerstvakantie is dus misschien helemaal niet zo’n gek idee, ook als er geen ‘pandemie-noodzaak’ meer is. Hij mag dan van mij tot eind januari duren….

Ook aan de andere kant van het huis, in het perk tegenover, ben ik bezig geweest. Beetje ‘guerilla-tuinieren’, want eigenlijk is het een algemeen stuk grond dat wel aan het complex behoort maar in principe door hoveniers wordt bijgehouden. Over wat dat inhoudt kun je van mening verschillen, en dat doen we dan ook zo’n beetje allemaal hier als bewoners. Feit is dat bodembedekkers de noodzaak tot onkruid wieden sterk verminderen en het perk dus redelijk onderhoudsarm maken. Veel bodembedekkers zijn leuk en gezond voor het milieu, omdat ze ook bloeien en allerlei beestjes aantrekken. Er staan ook verschillende van dat soort bodembedekkers in gelukkig – het oorspronkelijke ontwerp van het perk was zeker niet verkeerd. Er waren ook wat kale plekken, en daar passen mooi een paar planten van mij in. Weer minder te wieden voor de hoveniers. So far so good zou je zeggen, zo’n perk waar de diversiteit en inclusiviteit de ruimte krijgen.

Ja, maar… Of misschien beter: Ja, en…. Want van één kant rukt er iets op dat die zo gezonde diversiteit en inclusiviteit bedreigt. Zo’n soort die in haar (groei)kracht eerst langzaam, en dan steeds sneller, alles overneemt. Weet u het al? Juist, de hedera. Oftewel in goed Nederlands: klimop. Geweldige plant in veel opzichten, zowel klimmend als kruipend: heerlijke schuilplaats voor allerlei beestjes, altijd groen, ijzersterk, en in no time grote oppervlakken kale muur of grond bedekt. Zodat je nooit meer onkruid hoeft te wieden. Hij kan zelfs gaan bloeien, en daar zijn bijen en zo helemaal gek op. Geweldig typje dus, wat wil je nog meer, er zijn er niet veel die hem dit nadoen. Zelfs de wilde wingerd is geloof ik niet zo veelzijdig.

Ja maar… Oh nee, Ja, en….Niemand doet het hem misschien na, maar in zijn groeikracht is hij even onnavolgbaar. Bijna alles legt het tegen hem af. Hij kruipt overal in en op. Overwoekert kleinere planten, zeker die ’s winters ‘ondergronds’ in rust gaan. Dringt zich door de wortelgestellen van struiken. Kruipt bomen in. En langzaam maar zeker verstikt hij zo een goed deel van de overige biotoop. Wordt het eentonig en saai. Want klimop heeft weinig kleurvariëteit, en die bloeiwijze is niet spectaculair om te zien. Het oog wil ook wat tenslotte. Maar vooral wordt het eenzijdig. En dat is een groot gevaar voor de natuur. We weten het inmiddels wel: monocultuur is zelfs uiteindelijk dodelijk voor de plant zelf. Kijk maar naar het lot van de ooit zo geliefde en alomtegenwoordige buxushaagjes.

Klimop is dus vooral leuk als je hem in toom houdt. Dat is nou net waar op contract ingehuurde hoveniers slecht aan toekomen. Net als aan onkruid wieden. Het niet in toom houden van de klimop wordt zelfs gestimuleerd door geen tijd hebben voor onkruid wieden. Laat maar lekker groeien. En voordat je het weet klimt hij tegen de muren van het appartementencomplex op. Da’s minder. Net als het geleidelijk onder de zee van hedera verdwijnen van stammetjes van vlinderstruiken, hegjes, geraniums, vrouwenmantel, pachysandra, maagdenpalm, penningkruid enzovoort.

Kortom, de oprukkende overheersing van de ene soort moest een halt toegeroepen worden en dat ben ik maar gaan doen, lekker in het zonnetje onder mijn strooien hoed. Dat postzegeltuintje houdt mij als fervent hobbytuinier toch niet lang genoeg van de straat. Struiken en haagjes bevrijd van de verstikkende greep van hun belager, lucht gecreëerd voor de helleborussen die zijn uitgezaaid uit de tuin van de overbuurvrouw en voor al die andere planten die toch evenveel bestaansrecht hebben. En terwijl ik zo die hedera-ranken weghaalde trof me weer die parallel. Van die ene soort die de aarde overheerst, alles overneemt en in haar nietsontziende groeikracht haar eigen levensdomein en dus haar eigen bestaan dreigt te verstikken. Onbewust van wat ze aanricht. De lucht in gaat als de grond geen ruimte meer biedt. Zich aan van alles en nog wat weet vast te houden om voort te bestaan. Niet te stuiten, tenzij er wordt ingegrepen. Maar hoe? Want homo sapiens kan op hedera ingrijpen om te voorkomen dat ze haar biotoop zelf verstikt. Maar wie of wat grijpt op homo sapiens in? Nou ja, sapiens…homo erectus dan. Want van de sapiens-soort zou je verwachten dat hij inziet dat zijn groeikracht en voortbestaan een subtiele balans zijn, en dat hij gebaat is bij diversiteit en inclusiviteit. Een beetje zoals een goed gelukte, sterke cultivar. Maar erectus, wat doet die? Wacht hij tot het water hem aan de lippen staat? Of wordt hij homo ludens en slingert hij zich via de hederaranken van plek naar plek, nemend zoals het komt? Blijft er ook voldoende sapiens over? Of blijkt hedera ook zijn grootste concurrent?

De zon schijnt. Er waait een bries door de hoge naaldboom boven mij, die zachtjes ruist als de zee. Ik nies in het stof dat mijn wieden van de hedera doet opwaaien en overzie mijn werk. Tevreden voor vandaag met de extra ruimte die weer is gecreëerd. Morgen verder. Elke dag een beetje wieden. Dat kan ik in elk geval doen.

Eén antwoord op “Onze natuur”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.