Perspectief

In Japan, in Kyoto, ligt een oud zen-klooster: Ryoan-ji. Gesticht in de tiende eeuw en tot op de dag van vandaag beroemd om de zentuin: een zee van witte kiezels waaruit vijftien grote stenen oprijzen. Waar je ook staat te kijken langs de tuin, op geen enkele plek kun je meer dan 14 stenen tegelijk zien. Het is wel een ander samenstel van stenen dat je ziet als je een andere plek opzoekt om te kijken. Waar je ook staat, je ziet telkens een andere tuin.

Het is een prachtig symbool voor perspectief, en het menselijk onvermogen om ooit het totale plaatje te zien. Of die symboliek er bewust in gelegd is door de ontwerper van de tuin schijnt niet bekend te zijn, maar dat doet er niet echt toe. Ook dat is mooi symbolisch: we weten niet of deze interpretatie van de tuin waar is – het is een perspectief op het ontwerp. Net als het ontwerp zelf ons dus telkens een ander perspectief geeft op de tuin, afhankelijk van de plek waar je gaat staan.

Zelf ben ik jammer genoeg nooit bij die tuin geweest, ik ken alleen de verhalen en de foto’s op internet. Ook dat maakt niet echt uit, al zou het leuk geweest zijn het zelf te ervaren. Maar het mentale beeld alleen al werkt voor me. Want als ik met situaties wordt geconfronteerd waarin veel of sterk verschillende stukjes informatie op me af komen, en ik merk dat ik in verwarring dreig te raken, komt het beeld van de tuin van Ryoan-ji bij me op. Dat helpt me eraan herinneren dat al die verschillende stukjes informatie verschillende perspectieven vertegenwoordigen. Dat het er niet om gaat dat de een de waarheid vertegenwoordigt en de ander niet. Hooguit dat al die verschillende perspectieven samen een completer beeld geven van de situatie. Dat het onwaarschijnlijk is dat ik ooit het totale plaatje zal zien, een compleet beeld zal hebben. Want om de waarheid te vertegenwoordigen zou het beeld compleet moeten zijn, en voor iedereen, overal compleet hetzelfde. In de werkelijkheid van alledag lijkt dat een ideaalbeeld: mooi, mooi om naar te streven misschien, maar vermoedelijk niet haalbaar.

En om eerlijk te zijn weet ik eigenlijk ook niet of het echt zo mooi is om naar te streven. Is diversiteit niet rijker? Brengt ons dat niet meer? Dat gesprek wordt al een tijd lang gevoerd, op allerlei gebied, en er worden steeds meer perspectieven in ingebracht. Dat verrijkt het beeld in elk geval meer. Misschien wordt het moeilijker om je eigen positie erin te bepalen. Want dat is de moeilijkheid van perspectieven: je hebt dus niets anders meer om je aan vast te houden dan je eigen kijk. Dat kan wankel voelen.

Het idee dat iets waar is geeft houvast, daar kun je dan op terugvallen; een perspectief werpt je terug op jezelf. En hoe weet je dan wie er gelijk heeft, of je zelf gelijk hebt? Niet. Want de vraag wie gelijk heeft, is de vraag naar wat waar is. En die vraag verliest zijn geldigheid als je er van uit gaat dat we als mensen niet veel verder komen dan een perspectief. Dat kan heel erg helpen in situaties van sterk conflicterende perspectieven: je realiseren dat het niet gaat over gelijk hebben of de waarheid vertegenwoordigen. Het houdt je ook uit de idee dat je gelijk hébt of de waarheid vertegenwoordigt. Dat is in elk geval goed voor onze gemoedsrust en ons overleven, want het voorkomt oorlog.

Het perspectief van de ander zien als een perspectief, niet meer dan dat. Zo moeilijk! Vooral als het mijlenver afstaat van het jouwe, en je er niets in herkent. Het bevrijdende is wel dat het juist niet betekent dat je dat andere perspectief moet aanvaarden, het ermee eens moet zijn. Het is immers maar een perspectief. Je hoeft je er ook niet eens tegen te verzetten. Je kunt gewoon jouw perspectief er naast zetten, als een andere kijk. “Ik zie die stenen in de tuin.” “Oh? Ik die.” In koor: “Aha!” Zo ontstaat misschien wel wijsheid, in plaats van waarheid.

Moeilijk. Maar goed, dit is ook maar een perspectief.

Zaden

Wakker worden

wakker

in een wereld die

misschien sinds de Cuba-crisis

niet meer zo dicht gestaan heeft

aan de rand van wereldwijd geweld

was dit wat onze ouders en grootouders

toen ervoeren, en in 1940, en in 1914?

En wat zij voor ons nooit meer wilden?

Het is ongetwijfeld

wat al die mensen in de gebieden

waar jarenlang

de oorlog naar toe was verbannen

dag in dag uit hebben gevoeld

en dat zijn er, als ik er bij stil sta,

meer dan ik kan noemen

legioenen die dat oorlogsleed

voor ons hebben gedragen.

Komt nu opnieuw de tijd

dat wij zelf dat leed weer moeten dragen?

Angst.

En hoe doe je dat

als je ook geen god meer kent

tot wie je je kunt richten

met een bede om steun, moed en wijsheid

om niet te worden meegevoerd

in een stroom van woede, oorlogszucht en angst?

Een beeld doemt op

van een bescheiden man

met een klein brilletje

Gandhi. Geweldloos verzet.

Voelbaar nu hoe geweld geweld

kan oproepen, oorlog oorlog,

Oorlogstaal oorlogstaal. Hoe

die zaden niet te voeden

juist wel de zaden van geweldloosheid,

vredelievendheid, wijsheid, mededogen

en de moed daartoe

in elk geval in mij, en zo via mij

in de collectiviteit.

Alle geweldloze vredesactivisten

hebben dit ‘geweten’

Mandela, de Dalai Lama,

Martin Luther King, Thich Nhat Hanh

de laatste de man die ons telkens weer voorhield

hoe wij ‘inter-zijn’

die intrinsieke verbondenheid

die jouw pijn mijn pijn maakt,

mijn angst jouw angst,

mijn vrede jouw vrede.

Al is mijn besef hiervan

niet zo diep als bij deze mensen

de laatste paar dagen is onmiskenbaar duidelijk

hoe diep die wijsheid is

van drup….. drup…drup..drup.drup.drupdrupdrupdrup

op de zaden van wijsheid

die nu zoveel meer nodig is

dan alleen gezond verstand.

De geluks-terreur

Een stuk in de krant over ‘giftige positiviteit’ – een interview met een nog jonge Amerikaanse die daarover een boek heeft geschreven. Ze bespreekt veel interessante, en ook wijze, inzichten. Hoe schadelijk positiviteit kan zijn als je denkt dat je het moet zijn, bijvoorbeeld, maar het niet echt zo voelt. Omdat je kanker hebt, of je beroerd voelt tijdens je zwangerschap, of je kind wel achter het behang kunt plakken. Of je partner, je baas, je collega, buren,….Vul maar in.

Positiviteit is een cultus geworden, niet alleen in Amerika, maar ook hier. Vermoedelijk een gevolg van de globalisering. Een van Amerika’s exportproducten. Een cultus niet omwille van zichzelf, maar omdat positief zijn geluk zou brengen. En de idee is dat je – altijd – gelukkig moet zijn. Een ernstig gevalletje van verwarren van de waarde met de norm, met heel vervelende consequenties. Want niets is zo tegenstrijdig aan de menselijke ervaring als ‘altijd geluk ervaren’. Als het al duidelijk is wat dat eigenlijk is, geluk. Alleen al daarom kun je je ongelukkig voelen, dat je niet weet wat geluk behelst, voor jou.

Ik herken veel van wat de Amerikaanse zegt, en toch blijft er iets haken bij me, na lezing van het interview. Wat gebeurt hier? Iets wat zo gebruikelijk is dat het me makkelijk ontgaat: ze vervangt de ene norm – positiviteit, geluk – door andere. “We kunnen beter naar dit of dat streven.” Wat dat ‘dit of dat’ is doet er niet eens zoveel toe, het gaat om dat mechanisme: er wordt nog steeds een waarde tot norm verheven. Wat zoveel betekent dat die waarde – die niet meer doet dan beschrijven hoe je zou kunnen leven – aan anderen wordt voorgehouden als de manier waarop je zou moeten leven. Als je dat nou maar doet, dan komt het wel goed met jou en je geluk. Het is niet wezenlijk anders of beter om iemand te vertellen dat hij of zij veerkrachtig moet zijn, zichzelf moet leren kennen, radicaal moet accepteren dat ‘het is zoals het is’ of op zoek moet gaan naar voldoening, dan om hem te vertellen dat h/zij positief of gelukkig moet zijn. Dat werkt eenvoudigweg niet. En het houdt de ‘geluksnorm’ in stand.

Het staat er subtieler dan ik het nu beschrijf, maar dat is ook net het lastige aan zo’n stuk. En het verleidelijke. Als ik zoekende ben in mijn leven, omdat ik merk dat zoals het tot nu toe gegaan is niet meer werkt, dan voelt dat heel lastig. Hoe fijn is het dan als iemand mij een handreiking geeft door te vertellen hoe het anders zou kunnen, wat me goed zou doen voelen. Heel verleidelijk om dat te geloven en het na te volgen. Omdat ik gelukkig moet zijn.

En ja, misschien werkt het. Of in elk geval een tijdje. Misschien ook niet, en dan volgt verzet, de volgende teleurstelling. Misschien gebeurt dat wel keer op keer. In elk geval zolang die verwarring blijft bestaan: dat ik gelukkig moet zijn, en dat de beschrijving van wat werkt voor de een, een voorschrift kan zijn voor een ander. Laat staan een algemeen geldend voorschrift. “Zo kan het” kan nooit worden “Zo moet het”. Ook niet als het wordt omhuld in zorgzame en vriendelijke woorden van advies. Of als ikzelf dat ‘zo kan ik het doen’ onbewust omtover tot een ‘zo moet ik het doen’. Om gelukkig te worden.

Hoe dan wel? Dat is de vraag die zich automatisch opdringt, en waar dan, als je niet oppast, toch weer hetzelfde mechanisme kan gaan spelen, want het is een vraag naar het volgende recept, voor gelukkig leven. Maar er is geen recept voor het leven te geven, laat staan voor een gelukkig leven. Je ‘kookt je eigen leven’, om de titel van een zen-boekje te parafraseren. En in mijn optiek is dat ook waar het in het leven om gaat: je leven te leren koken. Zelfs voor mijn eigen leven is er niet één standaardrecept dat altijd werkt. Gaandeweg verandert het, soms komt er een heel nieuw potje op tafel. De ingrediënten zijn de waarden die belangrijk voor mij zijn. Sommige daarvan liggen altijd voor het grijpen, soms graaf ik nieuwe op, soms blijven er ongebruikt liggen. Soms ben ik voldaan, soms niet. Soms gaat het lekker, soms niet. Soms weet ik wat ik wil koken, soms niet. Soms ben ik daar ongedurig over, soms niet. Soms laat ik me inspireren door anderen, soms niet. Met enige mildheid kijken naar alle gedoe in mijn hoofd gaat me soms goed af, soms niet.

Maar dit is mijn optiek. Geen recept. Het enige dat ik er verder over kan zeggen is dat ik het leuk vind om een goede kok te worden.

Rijk

Binnenstappen in een boekenzee

De deur sluit

Zaterdagmiddag buiten

Hier de bezonken rust

Van decennia, zo niet een eeuw

Geschreven woord

Vastgelegd en vaak met liefde

Uitgegeven

Hier gebracht

Voor een tweede leven

Of zelfs een derde, vierde

Dertig jaar al

Verzamelt zich hier

In rijen en rijen, stapels en stapels

Lees-stof

Stof tot nadenken, genieten, verwonderen

Stof die een glimlach

Een herinnering oproept of herkenning

Verbazing, respect

Stof die stof doet opwaaien

In je geest of

Om je heen

Als je een boek uit de rij trekt

Die bekende geur van

Oud papier

De slappe kaftjes van

Bescheiden werkjes

Voor een klein publiek

Een ingeplakte illustratie op het voorblad

En tussen dit alles de man

Die al dertig jaar

In dit universum

Boeken bijzet en weer laat gaan

– hoewel soms ook niet –

Weet wat er staat

En waar

Die ene Van Dongen

Feilloos uit de stapel trekt

Links boven in de stelling

Vijf stappen van de kassa

Omdat hij dit walhalla

Zelf heeft opgebouwd

Er is een ordening

Ook hier

Al kun je op een zaterdagmiddag

Flink verdwalen

In de wereld van de geest

Die hier is uitgestald

Deze tijdloze plek

Laat je rijker weggaan

Dan je bent gekomen

Met de hoop

Dat ze nooit zal verdwijnen.

31 januari

Vandaag noemen we het 31 januari

Een maandag

De laatste dag van de maand

Verjaardag van enkele dierbaren

Een stormachtige dag

De trouwdag van mijn ouders

66 jaar geleden

Stormde het niet

Vroor het 20 graden

Was de wereld helemaal wit

Van een dik pak sneeuw

Op de foto’s de kou zichtbaar

in de lichaamstaal

En ook blije gezichten

Gasten die niet konden komen

Omwille van bussen en treinen

Die niet reden

Auto’s hadden de meesten nog niet

Ze hadden het zich vast anders voorgesteld

En toch blije gezichten

Na het bescheiden feestje

Gingen ze elk weer terug naar hun ouderlijk huis

Een eigen plek was er nog niet

Woningnood was groot, 10 jaar na de oorlog

En toch ook blije gezichten

Als je trouwde maakte je meer kans op een huis

Dus trouwden ze alvast maar

En ja, het werkte

Twee maanden later een piepklein appartementje

In een straatje achter waar ik nu meditatiegroepen geef

Er was zelfs een tuin(tje)

Waar ik als peuter met een teiltje water en een emmertje zand

Mijzelf vermaakte

En aan de hand van mijn moeder

Over het tuinpaadje leerde lopen

Vertellen de foto’s

En ook zulke blije gezichten

Niet dat het nooit stormde of regende

Dikke grijze wolken aan de lucht

Donderslagen of kil guur weer

Ja, ook dat

Het hoorde er allemaal bij

Vanaf 66 jaar geleden

Misschien is dat alleen maar lang

Voor wie die jaren nog niet heeft geleefd

Voor wie misschien zoveel nog wel heeft te gaan

Maar is het niet wonderlijk

Dat 66 jaar later

Zoveel lijkt veranderd

En toch zoveel hetzelfde blijkt?

Vergankelijkheid

Deze weken verdiep ik mij in vergankelijkheid. Niet filosofisch, intellectueel, als concept. Maar letterlijk me dieper inleven in wat vergankelijkheid teweeg brengt bij me. Visualiseren hoe mijn dierbare kat Snuitje geleidelijk in de verte verdwijnt, oplost. Dat er geen zee, geen groene natuur meer zou zijn. Snuitje zie ik rustig van me wegwandelen, verdwijnend aan de einder, zwarte staart recht in de lucht. Bij het verdwijnen van de zee en de groene natuur verpieter ik ook.

Waarom zo’n oefening doen, lijkt morbide nietwaar, waarom zou je je daarmee bezighouden als zoiets nog niet aan de orde is. Het tegendeel is eerder het geval, niets is realistischer, en soms troost- en rustgevender, dan volledig doordrongen te zijn van hoe vergankelijk alles is. Want hoe je het ook wendt of keert, alles, werkelijk álles komt en gaat. Verschijnt en verdwijnt. Van de kleinste tot de grootste dingen. Plezier verdwijnt, pijn ook (gelukkig maar). Je jeugd en je midlifecrisis (gelukkig maar). Intellectueel is dat goed te snappen, een open deur: ja én, so what? Gevoelsmatig is het een heel ander verhaal. Dat weet je ineens weer als je ziek wordt, je je baan verliest, gaat scheiden of een geliefde dood gaat. Dan blijkt de totaal vergankelijke aard der dingen helemaal niet zo vanzelfsprekend. Dan doet het gewoon pijn, veel pijn. Een pijn die niet verdwijnt door jezelf voor te houden dat alles vergankelijk is. Dat is dan alleen maar een intellectuele dooddoener, die niet verlichtend werkt maar eerder je pijn verergert omdat die met zo’n trucje niet erkend wordt.

Hoe moeilijk het is om dat vergankelijke daadwerkelijk te (be)leven als het zich onontkoombaar aan je opdringt maakte ik jaren geleden mee toen een zeer gewaardeerde cursist van me dodelijk ziek was en in zijn eindfase verkeerde. Een veertiger, getrouwd, een nog jonge dochter, altijd kerngezond, en daar was dan de eindigheid…Hij wilde me nog een keer spreken en ik ging bij hem op bezoek, in de wetenschap dat het de laatste keer zou zijn dat ik hem zou zien. Moeilijk, pijnlijk, maar het was ook een mooie ontmoeting. In zo’n eindfase vallen alle sociale plichtplegingen weg en ontmoet je elkaar van mens tot mens. Hij vertelde dat alles waar we het in de zen-bijeenkomsten over hadden gehad, ook over vergankelijkheid en dood, dat hij dat nu zo ontzettend moeilijk vond. Ja, dat is het ook. Het klinkt allemaal heel mooi zolang het nog niet aan de orde is, maar als het zover is, lééf het dan maar eens. Op die manier spraken we er over, met weinig woorden, en veel pauzes omdat hij heel moe was en af en toe een beetje weggleed. Ik had het gevoel met lege handen daar te zitten – wat heb je te bieden in zo’n situatie, alles is al snel een platitude of ongepast advies. Zijn weduwe vertelde me bij de uitvaart twee weken later hoe goed de ontmoeting hem had gedaan.

Erbij kunnen blijven, zonder iets aan de situatie te hoeven of willen veranderen, met woorden of gebaren. Het totale gewicht van die situatie mee kunnen (ver)dragen. Gaat dat, of wend ik me eigenlijk af, probeer ik te verdoezelen wat ik te pijnlijk vind, met troostende woorden? Wie of wat wordt er getroost? In het meedogenloze mededogen van mijn oefening kom ik dit allemaal tegen. Ook mijn grenzen in dat (ver)dragen. Dan kan ik stoppen. Dat is het mooie van een oefening. Het later nog eens proberen en kijken waar de grens dan ligt.

Je zou zeggen: waarom ‘droog’ oefenen, het dagelijks leven biedt oefening genoeg. Ernstige ziekte in mijn nabije omgeving. De broosheid van mijn 102-jarige oud-tante. De dood van weer een belangrijk spiritueel leider die een diepe wijsheid zichtbaar belichaamde. Méér dan oefening genoeg, wel een oefening die ik níet kan stoppen om op adem te komen als mijn grenzen bereikt lijken. Een levensechte oefening die doorgaat of ik het nu draaglijk vind of niet. Waarin de diepe wijsheid over vergankelijkheid van een Tutu of een Thich Nhat Hanh mij alleen helpt als die ook bij mij tot in al mijn vezels is doorgedrongen. Ik durf echt niet te zeggen dat dat het geval is. Dus ik blijf maar dooroefenen, ook ‘droog’ met de oefening van de laatste weken. Dat hebben Tutu en Thich Nhat Hanh ook gedaan. Dat leefden zij hun hele lange levens zo mooi voor, dat onvermoeibaar dooroefenen. Daarom is hun heengaan zo’n groot verlies.

Dankbaar

Er stond dit weekend een stuk in de krant over dankbaarheid. Het is een onderwerp dat me na aan het hart ligt. Wat zouden we zijn zonder dankbaarheid? Het zou zijn als leven met te weinig zuurstof.

Schrijven of praten over dankbaarheid is echter nog niet zo eenvoudig. Hoe doe je dat zonder moralistisch te worden? Het krantenartikel kiest de wetenschappelijke insteek. Het gaat over wetenschappelijk onderzoek dat uitwijst hoe goed dankbaarheid voor ons is. Dat het wordt “ingezet als behandelmethode tegen somberheid, depressie en angst”. Dankbaarheid als middel, waarvan de effectiviteit wetenschappelijk te meten is. Er is zelfs onlangs een dankbaarheidsproject opgestart onder ic-verpleegkundigen, in Amerika, waarin ze worden aangemoedigd meer dankbaarheid te betrachten en een (online) dankbaarheidsdagboek bij te houden. Om het aantal burn-outs te verminderen. In Nederland is er inmiddels een ‘dankbaarheidsapp’.

Het stuk staat ook even stil bij het woord dankbaarheid zelf: dat “zalvende woord, dat klinkt toch behoorlijk truttig en wee?” Ik heb het ook wel eens oubollig horen noemen. Met zo’n imago moet je natuurlijk wel met iets goeds komen om het weer over de bühne te kunnen brengen.

Maar ik ben geen wetenschapper, en wetenschappelijk bewijs inspireert mij niet. Ik vind het interessant om te lezen, maar het is niet wat mij warm maakt. Want het appelleert aan mijn verstand, niet aan mijn hart.

Een van de geciteerde wetenschappers verbindt er spirituele waarden aan, aldus het artikel: het is een deugd in alle grote religies, en een zonde om ondankbaar te zijn. Daar worden vermoedelijk ook niet veel mensen warm van. In feite reduceer je zo een waarde tot een norm. En waar waarden behoorlijk universeel zijn, en de kracht hebben mensen aan te spreken, te raken, zijn normen vaak cultureel bepaald en opgelegd. Een waarde zegt: zo kan het, een norm: zo moet het. Wie naar een waarde leeft, heeft de norm niet nodig.

Is dat religieus, spiritueel? Doet dat er toe? De hoogleraar Aziatische Religies Paul van der Velde noemt dat een typisch westerse vraag, in het oosten komt zo’n vraag niet op. Wij willen graag alles in vakjes stoppen. Maar hoe helpt het je als het in een vakje zit? Als het in het vakje ‘seculier’ zit, is het dan beter, aanvaardbaarder, dan als het in het vakje ‘spiritueel’ zit? Welke beelden kleven er dan aan die vakjes vast, die het onderwerp zelf – in dit geval dankbaarheid – aan het zicht onttrekken?

Want dat is natuurlijk waar het om gaat: dat gevoel van dankbaarheid dat je wel of niet ervaart. De een blijkt dat makkelijker te kunnen dan de ander. Dat zal wel menselijk zijn. De mensen die het beter kunnen blijken hun leven en hun relaties positiever te waarderen. Dat is iets waar je jaloers op kunt zijn. Is het dan niet voor iedereen weggelegd? Dat is moeilijk met zekerheid te zeggen, al is mijn persoonlijke gevoel dat iedereen dat vermogen wel in zich draagt. Alleen: kan het in zicht komen? Welke sluiers hangen er voor? Hoe sterk is dat lichtje? Kan het aangewakkerd?

Dat kan zeker, zo weet ik ook uit eigen ervaring: elke avond even stilstaan bij waar ik die dag dankbaar voor ben maakt me er inderdaad opmerkzamer op, zoals het krantenartikel zegt. Vooral als ik niet alleen kijk naar de leuke, fijne, mooie, lieve dingen, maar ook naar dat wat moeilijk, ingewikkeld, pijnlijk was. Want ook daar kan ik dankbaar voor blijken te zijn, of te worden. Mijn grootste gevoel van dankbaarheid ervoer ik bij de uitvaart van een zeer gewaardeerde cursist.

Dankbaarheid leven als waarde is daarom wat mij betreft goed mogelijk, en ook goed te oefenen. Als ik iemand meemaak die dat goed kan, raak ik daar erg door geïnspireerd. Dat zijn geen truttige, weeë, oubollige of zijïge mensen, integendeel. Mijn overleden cursist was een nuchtere natuurkundige, met een groot hart.

Dankbaar móeten zijn….daarover hoef ik niets te zeggen.

Vitaal

101

staat er bovenop de kast

in kleurig geschilderde, grote cijfers

van karton.

101 is ze

mijn oud-tante, en lief

zoals ze daar zit in haar stoel,

blij met bezoek

maar ook wel snel moe.

“Het is geen kunst om oud te worden”

vindt ze, “maar oud zijn…..

nou, nou,….”

Zelfs gewoon luisteren

kost veel energie

aan dat witte hoofd

dat alle moeite wil doen

om het gesprek te blijven volgen.

Soms dut ze dan ook even weg

in een mini-mini-slaapje

dat haar weer even opfrist

net als het soesje

dat ik voor haar meenam,

en de peertjes voor morgen.

Want ook als je 101 bent

is er nog steeds een morgen

en een gister, en een nu.

Voor zolang als het duurt,

maar dat geldt ook voor mij,

en voor iedereen.

Je kunt niet eens zeggen dat zij

dichterbij is bij

geen morgen meer, en geen gister en geen nu.

Mijn lichaam net zo broos als het hare,

niettegenstaande de vitaliteit die ik voel.

Kan ik wel zeggen dat ik

vitaler ben dan zij

die haar ogen telkens weer opent

voor een nieuwe dag,

voor een nieuw gesprek,

voor een nieuwe lach,

bij

101?

Vragen

Op LinkedIn lees ik een bericht van iemand die aan het begin van elk nieuw jaar een zgn. leervraag voor zichzelf formuleert, die hij dan het hele jaar bij zich draagt. Niet zozeer om HET antwoord te vinden, maar als een leidraad voor een voortgaand onderzoeken – zo verrijkt de vraag zijn leven, niet het antwoord. En hij vraagt aan ons, zijn lezers, welke leervraag wij hebben. Het eens uit te proberen, dat ‘leven met een vraag’. Heel herkenbaar, en leuk om dit op LinkedIn terug te zien – iedereen die mijn blog met enige regelmaat leest, weet dat ook ik graag leef met een vraag. Eigenlijk is mijn hele leven één grote vraag.

Dat zie ik ook terug in het leven van de Amerikaanse zakenman over wie ik afgelopen weekend een boek las, John E. Fetzer. Rode draad in het boek was niet primair zijn zakelijke ontwikkeling en succes, al kwam dat ook aan bod. Nee, het ging vooral om wat hij zelf zijn ‘zoeken’ noemde, het zoeken dat hij zijn hele leven heeft gedaan, zijn spirituele zoektocht. Zelf ben ik geneigd het een spiritueel onderzoek te noemen, gezien de hoeveelheid richtingen en stromingen die hij gedurende zijn hele leven heeft bestudeerd en gepraktiseerd. Maar misschien was hij uiteindelijk toch wel op zoek naar een antwoord – hij was in elk geval op zoek naar een mogelijkheid zijn visie te verwoorden en om te zetten in een concreet uit te voeren missie.

Ik vond het boek vooral interessant vanwege de vragen die het bij me opriep. Eén zo’n, wat mij betreft belangrijke, vraag diende zich aan toen ik las dat deze gerespecteerde, succesvolle zakenman, iedere keer als hij publiekelijk sprak over zijn spirituele inzichten en visie, het gevoel kreeg dat hem dat duur kwam te staan. Wat is dat toch, die aversie tegen het spirituele? Ook, zelfs, of misschien wel juist als het om een gerespecteerd en respectabel mens gaat die zijn sporen maatschappelijk en zakelijk heeft verdiend? Misverstanden, niet serieus genomen worden, kritiek – het werd zijn deel. Hij zocht het daarom steeds meer in gesprekken met ‘ingewijden’, al zette hij zijn werk aan het concretiseren van zijn missie ook voort. Met hulp van diezelfde ‘ingewijden’.

Misschien kan dat niet anders. Misschien was hij daarom altijd zo voorzichtig om in zijn zakelijke ondernemingen over zijn spirituele tocht te spreken – zeker in het van origine sterk christelijke midden-westen van Amerika waar hij woonde en werkte. Misschien was hij daarom in het begin zo naarstig op zoek naar wat bijna een rechtvaardiging leek te moeten zijn van zijn zakelijke en spirituele pad: viel (veel) geld verdienen wel te verenigen met een spiritueel leven? Dat schuurde dus niet alleen in zijn omgeving, maar ook in hemzelf. Hij vond voor zichzelf een antwoord dat hem vrijmaakte om door te gaan, maar het is natuurlijk een interessante vraag waarom hij dat antwoord zo nodig had. En het is nog steeds een actuele kwestie, zeker voor wie spiritualiteit ziet als iets dat losstaat van het dagelijks leven.

Even interessant is het dat hij zijn hele leven bezig is geweest te proberen de spirituele ervaring en werking wetenschappelijk te (laten) onderbouwen. Dus net als met business, spiritualiteit met wetenschap te verenigen. Ook dit lijkt bijna een poging tot rechtvaardiging, tot acceptabel of inzichtelijk maken voor hen die niet tot de ‘ingewijden’ behoren. En ook dit is, 30 jaar na zijn dood, nog steeds een issue. En blijven de interessante vragen: waartoe moet iets dat iemand ervaart wetenschappelijk worden bewezen? Waartoe moet iets dat gedurende duizenden jaren door miljoenen mensen is ervaren wetenschappelijk worden bewezen? Wetenschappelijk op de anglo-amerikaans-westerse wijze wel te verstaan. Waartoe blijft men proberen iets dat weliswaar ons intellect maar niet onze ervaring overstijgt, intellectueel te begrijpen en begrijpelijk te maken? Wordt het daarmee ‘salonfähig’?

Het zijn belangrijke vragen. Waarom? Omdat anno 2022 spiritualiteit nog steeds een taboe-onderwerp is van jewelste. Omdat ieder die er publiekelijk over spreekt het gevoel van de Amerikaanse zakenman herkent dat dat je duur kan komen staan. Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik op mijn CV mijn zen-activiteiten had vermeld en de contactpersoon van het interimbureau waarmee ik had gewerkt dat ter discussie stelde: we moesten toch vooral niet de indruk wekken dat ik als zen-zendeling in organisaties aan het werk ging. As if… Maar ‘not done’, kennelijk gevaarlijk. Of zweverig, geitenwollen sokken, te nuchter voor, etcetera. Ik was niet overtuigd en haalde het er niet af. Standvastig of eigenwijs? Ik heb in elk geval nooit meer een opdracht via dat bureau gekregen.

Het hele New Age gebeuren heeft het ‘imago’ van spiritualiteit geen goed gedaan, alle goede intenties ten spijt. Alle schandalen binnen de religieuze instituties ook niet. Maar spiritualiteit – als verzamelnaam voor alle spirituele, religieuze en godsdienstige oefening, ervaring en uiting – is niet hetzelfde als de instituties waarin het wordt gepraktiseerd. Het staat of valt niet met de al te menselijke beoefenaar die serieus de fout in gaat. Het is ook niet iets voor alleen maar ‘ingewijden’. Ieder mens heeft een spirituele dimensie, net als een biologische, emotionele en mentale dimensie. Zo min als onze biologische, emotionele en mentale dimensie kunnen we onze spirituele dimensie straffeloos ontkennen of negeren. Dan worden we ziek. Of we blijven ons hele leven rusteloos, ‘zoeken’.

Dat is niet alleen voor ieder individueel van belang. Omdat het spirituele onze individuele ‘ikkigheid’ overstijgt, is het ook van belang voor de wereld om ons heen. Hoe klein of groot we die ook ervaren.  

Van mij mag die heimelijkheid die erom heen hangt er wel eens af. Mogen we uit de kast komen en kleur bekennen. Vermoedelijk zal ik dan verbaasd staan over hoeveel mensen op een of andere wijze al een spiritueel pad beoefenen. Dan komt natuurlijk de volgende kunst: mag die regenboog er zijn of gaan we in discussie over de Ware kleur?

Maar dat zien we dan wel weer. Eerst maar een big smile voor die geweldige spirituele figuur die heel stijlvol met Kerst zijn menselijke omhulsel heeft afgelegd: ‘Arch’ Desmond Tutu.

Klein

Dat programma van Matthijs van Nieuwkerk

had de mooiste naam –

de wereld draait door

want ja,

ook als er iets gebeurt waarbij mijn verstand stilstaat

draait de wereld, gewoon, door

wat me ook overkomt

wat ik er ook van vind

hoe kwetsbaar ik me ook voel

hij draait gewoon door

net als bij het overlijden van iemand die me dierbaar is

en mijn wereld stil lijkt te staan

suizend van ongeloof en bewegingloosheid

draait de wereld om me heen door

‘out of sync’, zo voelt het dan

met al zijn daden, woorden, goedbedoelde wijsheid

die op zo’n moment

alleen maar mijn verdriet ontkent.

Maar soms, heel soms,

dringt er van buiten een signaal door

iets dat op een of andere manier

een gaatje weet te vinden tussen

dat doordraaien en die stilstand

en me bereikt

een glimlach

van zo maar iemand

die mij ziet

en mij dan net genoeg verwarmt

om weer de volgende stap te kunnen zetten

ook al weet ik nog niet waarheen

Dirk de Wachter heeft gelijk

“als je iets wilt betekenen voor een ander

houd het klein”.